Waar bleven zon, geluk en vreugde?

Hij debuteerde in 1958, schreef een immens oeuvre, maar verwerkte pas in zijn recentste roman het verlies van een schoondochter en een vriend. Is dat de reden dat hij nu pas breed gewaardeerd wordt?

Henry Bauchau: Maalstroom (Boulevard périphérique). Vert. Kris Lauwereys. Meulenhoff/Manteau, 289 blz. € 22,50

Boulevard périphérique luidt de Franse titel van de recentste roman van Henry Bauchau. De Franse benaming voor de ringweg rond grote steden roept meteen benauwde associaties op met eindeloos rondjes draaien, nerveus zoeken naar de juiste afslag, hortend en stotend vooruit komen in stokkende files, terwijl je meegezogen wordt in de beangstigende, metalen massa van auto’s.

Het woord roept precies de goede geestesgesteldheid op voor de lezer van het boek dat in de Nederlandse vertaling Maalstroom heet. Ook zo’n onrustige draaikolk, waarbij je geen controle krijgt over je handelingen en gedachten en de kans loopt je rust en zelfbeheersing te verliezen. Zelden betreed je als lezer een universum waarin je zo indringend van de ene dreiging in het volgende drijfzand belandt, van de ene angst in het volgende doolhof.

De in Mechelen geboren schrijver-psychoanalyticus is inmiddels 97. Hij was 95 toen zijn roman in Frankrijk met de Prix du Livre Inter werd bekroond en dankzij deze bestseller kreeg Bauchau voor het eerst een groot lezerspubliek – en dat terwijl hij al een immens oeuvre op zijn naam had staan.

In 1958 debuteerde Bauchau met de poëziebundel Geologie. Deze kwam voort uit zijn eerste psychoanalyse en, zoals de titel zegt, een poging de diepere lagen van zijn persoonlijkheid te analyseren. Er zou nog een tiental dichtbundels volgen. Tezelfdertijd ontwikkelde Bauchau zich als dramaturg. Hij schreef stukken over Djengis Khan en Alexander de Grote, later een toneelstuk waarin hij thema’s uit het werk van Aeschylus belichtte.

Oedipus en Antigone keren regelmatig terug in Bauchau’s romans. Oedipe sur la route (1990, Prix du roman du Ministère de la Culture et de la Communauté française de Belgique) draait om de zoektocht naar innerlijke rust, Antigone (1997, Prix Rossel, Prix des lycéens) is een verdieping van de vrouwenfiguur uit de gelijknamige Griekse tragedie. In 2004 verscheen L’enfant bleu, een roman die rechtstreeks putte uit Bauchaus professionele ervaring met psychotische patiënten.

In 2005 kreeg Bauchau zijn eerste grote prijs, de Franse Grand Prix de littérature de la Société des gens de lettres. Inmiddels is er ook een reeks dagboeken verschenen die verschillende periodes van zijn leven beslaan. Vuistdik zijn ze, met reflecties op zijn dagelijks doen en laten, gedachten over het boek dat hij onder handen heeft, citaten uit gesprekken, wijsheden van denkers aan wie hij kracht ontleent.

Hte is dan ook vreemd dat er nooit eerder een titel van Bauchau hier is vertaald, dat deze schrijver in de Nederlandstalige wereld nog een volledig onbekende is. Getuigt het van de huizenhoge onzichtbare muur tussen het Waals en het Vlaams, tussen de in het Frans en in het Nederlands geschreven literatuur uit België? Of heeft het feit dat Henry Bauchau lange tijd in Zwitserland woonde ermee te maken? Ook de literaire kloof tussen de Franstalige, in Zwitserland geschreven literatuur en die in Frankrijk mag er immers zijn. Een belangrijke Zwitserse auteur als Jacques Chessex bijvoorbeeld heeft nooit een breed lezerspubliek in Frankrijk gevonden en vond pas onlangs, vlak voor zijn dood, een Nederlandse uitgever.

Bauchau vertrok in 1951 naar Zwitserland om er een opleidingsinstituut op te richten dat jonge mensen voorbereidde op de toelatingsexamens van de grote universiteiten. Zelf gaf hij les in literatuur en kunstgeschiedenis, vakken waarop hij zich ook zelf als kunstenaar toelegde. Zijn frequente bezoeken aan Parijs, voor een tweede psychoanalyse, brachten hem in contact met grote schrijvers, kunstenaars en psychoanalytici. In 1973 moest het Zwitserse instituut sluiten en keerde Bauchau terug naar Parijs, waar hij, op zijn 60ste, in dienst trad van een centrum voor psychoanalyse.

Wat heeft Maalstroom dat zijn eerdere romans niet hadden? Vanwaar nu die doorbraak? Het zit ’m in de persoonlijke toon, vermoedelijk, het duidelijk autobiografische karakter van de roman, de aansprekende thematiek. In Maalstroom verwerkte Bauchau voor het eerst, zestig jaar na dato, zijn oorlogservaringen. Een pijnlijke periode die, zo begrijpen wij, werd verdrongen en waarin een einde kwam aan een wezenlijke vriendschap, een onuitgesproken liefde. Ook verhaalt Henry Bauchau in deze roman van de dood van zijn schoondochter, die eind jaren zeventig overleed aan kanker. Hij had er al eerder over willen schrijven, vertelde hij in een interview, maar andere romans kregen voorrang.

In Maalstroom maakt de verteller, een oude man, iedere dag – we schrijven 1980 – de tocht vanuit de banlieue naar een ziekenhuis in de stad, waar zijn schoondochter op haar sterfbed ligt. Tezelfdertijd komen bij de verteller, als een verre, traumatische echo, herinneringen naar boven aan zijn verzetsjaren en vooral aan zijn uitzonderlijke vriendschap met de bergbeklimmer Stéphane, die door de nazi’s werd vermoord. Het stervensproces van zijn schoondochter en de herinneringen aan Stéphane wisselen elkaar af, versterken elkaar, vormen als het ware een dialoog over de tussenliggende decennia heen.

De verteller leerde Stéphane kennen in 1940, in een ruimploeg van oorlogspuin. Met enkele uitverkorenen, onder wie de verteller, beoefende hij zijn passie: bergbeklimmen. De jongeman vertegenwoordigt alles waar de verteller zelf niet over beschikt: schoonheid, zekerheid, kracht en rust. In hem ziet hij een ‘vluchtige, speelse man […] gemaakt voor het spel, de oorlog’. Was hij een vrouw geweest, er zou begeerte zijn ontstaan. Maar uitgesproken wordt de wederzijdse genegenheid nooit. Het contrast tussen beiden is te groot: ‘ik ben een soort nerveuze intellectueel met een voortdurend overprikkeld brein, steeds gevangen in onoplosbare tegenstrijdigheden’.

Tijdens de oorlog wordt Stéphane vermoord door Shadow, een SS-kolonel, ‘genie van het kwaad’, ‘een geheimenmachine’. De verteller ontmoette hem na de oorlog, het was een Russische émigré, in zijn jeugd geterroriseerd door zijn vader. Is Stéphane de incarnatie van het leven, de kracht, lucht en lichtheid, zo belichaamt Shadow – zijn naam zegt het al – het duister, het kwaad en de dood. Hij behoort tot de mensen die angst aanjagen, tot ‘de mensen met een demon’ – zoals Dostojevski zei – tot ‘degenen die voor gebeurtenissen zorgen’.

Shadow bouwde aan ‘een oeuvre van onrecht’, vervolmaakt de banaliteit van het kwaad. Hij ‘zette steen op steen’, zoals de verteller ‘bladzijde na bladzijde’ vol schrijft. Beiden bouwden aan iets, deelden een verlangen ‘dingen voort te brengen’, zij het van een geheel andere orde.

De verteller is een schrijver die voortdurend wordt gekweld door zijn verlangen te schrijven, maar daarin wordt gedwarsboomd door professionele en persoonlijke verplichtingen. Nu weer door de frequente reis naar zijn stervende schoondochter met wie hij het goed kon vinden. Iedere dag bidt hij de rozenkrans van de poorten van de Boulevard périphérique. Onderweg overdenkt hij de dieptepunten in zijn leven. Zo was er een moment waarop ‘alles wat we in eenentwintig jaar hadden opgebouwd in elkaar was gestort’ en hij opnieuw moest beginnen. Luisteren naar de dromen en remmingen van zijn patiënten. ‘Het moest, om genoeg geld te verdienen. Geld verdienen, dat is wat men nog het meest van mij heeft gevraagd in het leven’.

In alle verhaallijnen is een vader-zoonmotief verweven, misschien niet vreemd voor een schrijver voor wie het oedipus-thema zo belangrijk is. Zo kwalificeert de verteller zijn eigen vaderrol als ‘zwak’ in de ogen van zijn zoon. ‘Ik ben de vader zonder geld. Een vader die boeken schrijft die maar weinig lezers bereikt hebben’. Dat is voor Stéphane en zijn alter ego in het kwaad, de nazi Shadow, wel anders. Wat hen verbond was juist dat zij voor velen de ‘sterke man’ vertegenwoordigden. De een was de meest meedogenloze nazi, ‘de vader tegen wie men ja moest zeggen’; de ander was de ‘overhangende rots’, de aanvoerder van het verzet.

De ouderdom valt hem zwaar. Hij moet zich neerleggen bij ‘een hele reeks dingen waar hij niet klaar voor was: armoede, marginaliteit, afhankelijkheid van anderen, hun minachting of onverschilligheid’. Waar is de zon, waar het geluk en het vreugdegevoel dat hij in de aanwezigheid van Stéphane ervoer?

Zo weeft Bauchau heden en verleden door elkaar, vindt de pijn van nu de pijn van toen, vormt de dood van toen de echo van het sterven van nu. ‘Je moet betalen met je hele wezen. Met je leven.’ De geoloog uit zijn debuutbundel is Bauchau gebleven, ook in deze roman. Net als zijn vakgenoten Lydie Salvayre en Jacqueline Harpman ontleedt hij intens de menselijke psyche, verdiept hij zich in zijn eigen beweegredenen, zijn eigen verleden. Leven en schrijven, het blijft worstelen voor de verteller in Maalstroom. ‘Het is al laat, alweer een dag dat ik niet heb kunnen schrijven. Voortbrengen, dat was de Wet van de familie van mijn vader. Je moet ook loslaten, laten gebeuren, laten komen’.

Dat laatste lijkt gelukt. Het leverde een schitterende roman op.