Vooral de Fransen zijn wakker in slaperig Gabon

De populistische president Ali Bongo wil Gabon weer in beweging krijgen. Hij schafte de middagpauze af, maar dat is volgens de critici symboolpolitiek.

Het is een vooroordeel waar ze zelf om moeten lachen. Gabonezen zijn lui, arrogant en halen hun neus op voor vuil werk. „Zo”, zegt journalist Phal Mezui terwijl hij met vlakke hand op een smetteloos bureaublad slaat, „zo zijn wij.” De typische Gabonees wil in maatpak naar een kantoor met airconditioning. Het kan hem niets schelen dat het pak zo veel heeft gekost dat hij ’s avonds een blik sardientjes moet opentrekken. „We zijn niet opgevoed met het idee dat we moeten werken”, zegt Mezui.

In het oliestaatje Gabon, anderhalf miljoen inwoners, zijn het de buitenlanders die de economie gaande houden. De Malinezen drijven kruidenierswinkels, de Beninezen werken in de huishouding, de Kameroenezen besturen de taxi’s, en de Fransen pompen olie en kappen het tropische bos. Zo ging het in de jaren zeventig, en zo gaat het nog steeds.

Toch lijkt slaperig Gabon schoorvoetend in beweging te komen. Zes maanden nadat Ali Bongo voor duizenden euro’s vuurwerk liet afschieten voor zijn inhuldiging als president, spreekt de slaafse pers van een „Tsun-Ali” aan veranderingen. Ali Bongo belooft ‘transparantie’ en zegt dat hij de Gabonezen weer aan het werk wil krijgen. Hij schafte tot ongenoegen van de horeca de middagpauze af en heeft beloofd een minimumloon van 230 euro in te stellen. Het hardst getroffen werd de ondoorzichtige houtindustrie met de verordening dat voortaan driekwart van de export ter plekke in planken gezaagd moet worden. De export van ruwe boomstammen kwam in één klap stil te liggen.

De naar populisme neigende maatregelen lijken een poging om zijn regime de legitimiteit te geven dat het met de omstreden uitslag van de verkiezingen niet kreeg. Ali Bongo is een kind van Omar Bongo, een potentaat van de oude stempel die Gabon 41 jaar lang bestuurde tot hij vorig jaar aan kanker overleed. Miljonairszoon Ali, met zijn voorliefde voor rode Ferrari’s, was te rijk en te machtig om de verkiezingen niet te winnen, zeggen critici. Maar ook dit keer moesten gastarbeiders het vuile werk opknappen. „De Gabonezen wilden niet op hem stemmen, dus hebben wij het gedaan”, zegt de Kameroenese taxichauffeur Alassane gniffelend. „Aan het einde van de dag werden we allemaal naar het stembureau gestuurd. We hoefden onze verblijfsvergunning niet te laten zien, de stembiljetten waren al ingevuld, en militairen kwamen meteen de stembus ophalen.”

Gabon produceert zo’n 14 miljoen ton olie per jaar. Genoeg, zou je denken, voor iedereen. Maar dit is Centraal Afrika, en dit is geen democratie. Bij zijn dood liet Omar Bongo een immens fortuin na dat verspreid is over zeker zeventig bankrekeningen in het buitenland, villa’s aan de Franse Rivièra, en een stoet Bugatti’s en Rolls Royces. Maar de helft van de bevolking leeft in armoede en kan alleen maar dromen van de flessen Mouton Cadet die hier in de schappen van benzinestations staan. De ontdekking van olie eind jaren zestig betekende de nekslag voor landbouw en industrie. De boeren lieten hun cacaoplantages in de steek en verdrongen zich voor de vergulde poort van het presidentspaleis om naar Bongo’s gunsten te dingen. Nu is Gabon een van de duurste landen van de regio.

Bongo was kwistig met ministersposten en liet zijn hofhouding miljoenen dollars aan staatsgeld wegsluizen voor projecten die nooit van de grond kwamen, maar hij verslapte zijn greep op de oppositie nooit. Oproerkraaiers werd het zwijgen opgelegd met een functie in de regering of een ambassadeurspost. Het was een verstikkend systeem dat geen plaats liet voor ideologie of overtuiging, zegt Wenceslas Mamboundou, hoogleraar politieke wetenschappen aan de met onkruid overwoekerde Omar Bongo-universiteit. „De verkiezingen waren een ordinaire marktplaats. Een politieke partij oprichten was een manier om toegang te krijgen tot een machtspositie en je zakken te vullen.”

Al die tijd werd de dictator onvoorwaardelijk gesteund door Frankrijk, dat verknoopt was geraakt met de voormalige kolonie via een schimmig netwerk van politici en bedrijven die elkaar lucratieve contracten toespeelden. Gabon was de voortuin van het Françafrique-systeem. Door erop toe te zien dat Franse zakenbelangen veiliggesteld bleven, kon Omar Bongo zijn land ongestoord plunderen. De onderklasse kreeg behalve een Omar Bongo-boulevard en een Omar Bongo-stadion weinig te zien van de olierijkdom. De grootste asfaltweg in het land is de weg langs het presidentieel paleis. Wie van Libreville naar Port-Gentil wil, de enige ander stad in het land, moet een vliegtuig nemen. De rest is oerwoud.

„Soms denk ik dat de passiviteit van de Gabonezen het gevolg is van hun isolement”, zegt een Française die tien jaar geleden bij haar Gabonese man introk. „De meeste Gabonezen worden geboren in Libreville, groeien op in Libreville en sterven in Libreville.”

De door Ali Bongo aangekondigde veranderingen zijn vooralsnog cosmetisch, zegt Marc Ona Dessengui, een activist die de obscure geldstromen in de olie- en houtindustrie in kaart probeert te brengen. Niets wijst erop dat de Bongo’s het roer radicaal gaan omgooien.

Vorige maand protesteerde Dessengui in een open brief tegen de komst van de Franse president Nicolas Sarkozy, het derde staatsbezoek in drie jaar. Geen ander land heeft die eer gekregen.

„Françafrique is nog springlevend”, constateert Dessengui. Franse bedrijven beheersen de houtkap, Total pompt de olie uit de grond, en waar Franse legerbases in andere Afrikaanse landen gesloten worden, houdt Parijs die in Gabon open.

De oppermachtige zoon van de oppermachtige vader Omar Bongo beslist voorlopig alles zelf. Vlak voor de verkiezingen liet Ali reusachtige portretfoto’s spannen tegen de hoogste flatgebouwen van de stad. Ze hangen er nog steeds.