U, lezer, is geen rust gegund

De grootste verdienste van Lojze Kovacic is dat hij in ‘De nieuwkomers’ het individuele lot van Sloveense immigranten weet te verbinden met de Europese politieke geschiedenis.

Lojze Kovacic: De nieuwkomers. Vertaald door Roel Schuyt. Van Gennep, 295 blz. € 19,90.

Het openingsfragment zet meteen de toon. Een echtpaar met twee jonge kinderen uit het Zwitserse Basel is op weg naar het station, begeleid door de politie en gadegeslagen door nieuwsgierige passanten. We schrijven het jaar 1938, wat enkele (ongegronde) associaties wekt. De vader is van Sloveense afkomst en woont al dertig jaar in Zwitserland, de moeder is Duitse. Volgens de nieuwe Zwitserse wetten mogen deze armlastige buitenlanders zonder pardon worden uitgewezen.

Na een lange treinreis en een tussenstop in Ljubljana komen ze de volgende avond aan bij familieleden op het Sloveense platteland, in het geboortedorp van de vader. Echt welkom zijn ze hier niet. De taal levert problemen op, behalve voor de vader, en na één jaar vertrekken ze weer richting Ljubljana. Hier wordt hun leven zo mogelijk nog provisorischer. Het gezin trekt van hot naar her, de armoede wordt schrijnend, en inmiddels kondigt ook WO II zich aan. Het koninkrijk Joegoslavië, waar Slovenië deel van uitmaakt, wordt aan alle kanten bedreigd en uiteindelijk vallen de Italiaanse en Duitse troepen het land binnen. Het gezin, door velen als pro-Duits beschouwd, gaat een hoogst onzekere toekomst tegemoet.

De verteller van De nieuwkomers is de aanvankelijk tienjarige Bubi (ook wel Samson genoemd), ongetwijfeld een alter-ego van de grote Sloveense auteur Lojze Kovacic (1928-2004). Kovacic werd in Zwitserland geboren als zoon van een Sloveense emigrant en een Duitse moeder, vanaf 1938 woonde hij in Slovenië. Zijn oeuvre, dat hoofdzakelijk uit romans en verhalen bestaat, is voor een belangrijk deel autobiografisch en als zijn opus magnum geldt het driedelige, bijna 1.300 bladzijden tellende De nieuwkomers, waarvan nu het eerste deel in het Nederlands is verschenen.

Deze oorspronkelijk in de jaren tachtig verschenen trilogie werd tien jaar geleden door Sloveense critici uitgeroepen tot ‘de roman van de twintigste eeuw’. In Duitsland, waar de complete trilogie werd vertaald, reageerden de recensenten welhaast euforisch op deze ‘ontdekking van de eerste orde’ (Neue Zürcher Zeitung).

Lojze Kovacic is met bijna niemand te vergelijken, ook niet met andere Oost-Europese schrijvers van autobiografische werken als de Serviër Danilo Kiš, de Hongaar Peter Nádas, de Roemeen Norman Manea of de Pool Czeslaw Milosz – al zijn er opvallende overeenkomsten met Kiš. Net als Kiš vertelt Kovacic vanuit een kinderlijk perspectief, speelt de vader een belangrijke rol alsook de multinationale samenleving in de jaren net voor of tijdens WO II.

De Sloveen Kovacic is, dat merk je al na enkele bladzijden, een unieke schrijver met een geheel eigen toon. Met zijn staccato-achtige stijl en zijn korte, nevenschikkende zinnen (vaak afgesloten door drie puntjes), gunt hij de lezer geen enkele rust. Hij vertelt caleidoscopisch, in korte fragmenten die zelden langer zijn dan vier of vijf bladzijden. Uit deze verhaalsplinters ontstaat een persoonlijk gekleurd beeld van het voor Joegoslavië en de rest van Europa woelige tijdperk tussen 1938-1948.

Bubi is een gevoelig en intelligent kind met een grote opmerkingsgave. De schurftige huid van een tante ontgaat hem net zo min als de neurotische tics van zijn moeder of het afwijkende gedrag van de Italiaanse en Duitse soldaten.

Bubi schaamt zich voor zijn slechte Sloveens (op school loopt hij een achterstand op), de armoede en voor de schoenen van de Vincentiusvereniging. Zijn vader is bontwerker van beroep maar dat levert in de oorlogstijd te weinig op om het gezin te onderhouden.

Gaandeweg zoekt de verteller toenadering tot een groepje bedelaars, ook voor winkeldiefstal schrikt hij niet terug. In een van de aangrijpendste scènes wordt beschreven hoe de veel oudere zus van de verteller, die pas later vanuit Zwitserland is overgekomen, zich bij de huisbaas moet prostitueren als tegemoetkoming voor de achterstallige huur.

Stukje bij beetje onthult Kovacic de voorgeschiedenis van de immigrantenfamilie. De moeder van Bubi is afkomstig uit een groot gezin in het Saarland, waar ze haar latere echtgenoot leerde kennen, die als buitenlander werk had gevonden op het atelier van haar vader. Later trokken Bubi’s ouders naar Zwitserland, waar zijn vader aanvankelijk uiterst succesvol was in de bonthandel (twee winkels en een eigen huis) – tot de crisis in de jaren dertig roet in het eten gooide en het gezin in korte tijd financieel ruïneerde.

Lojze Kovacic slaagt erin – en dat is misschien wel zijn grootste verdienste – om het individuele lot van deze Sloveense immigranten te verbinden met de Europese politieke geschiedenis. Als in 1940 Italiaanse en Duitse troepen troepen Joegoslavië binnenvallen, leidt dit tot uiteenlopende reacties onder de bevolking, al naar gelang de politieke voorkeur. Bubi’s vader is uitgesproken pro-Hitler, zijn moeder is juist fel gekant tegen de schreeuwerige dictator, en voor de verteller zelf ligt de zaak nog een stuk gecompliceerder. Enerzijds ontleent hij als scholier (hij wordt als hele of halve Duitser beschouwd) een deel van zijn identiteit aan de Germaanse overwinningen, anderzijds heeft ook hij een hekel aan de ‘ijdele schilder met het zwarte snorretje’ en weigert hij om lid te worden van de Hitlerjugend.

Bubi blijft aan de kant staan, een houding die hij de hele trilogie niet meer zal afleggen. Hij is de geboren outsider, nu eens tegen wil en dank (‘ik wist maar al te goed hoe erg het was om alleen en zonder gezelschap te zijn’), dan weer bewust en bijna ostentatief het isolement zoekend.

Later, als puber, ontwikkelt de verteller een passie voor lezen, tekenen en schrijven en stort hij zich vol overgave op de wereldliteratuur, waartoe overigens ook Max Havelaar van Multatuli behoort. Maar zelfs in de literaire milieus, waar hij uiteindelijk als aankomend schrijver terecht komt, zal Bubi een randfiguur blijven.

Het nu door Roel Schuyt vertaalde eerste deel van De nieuwkomers eindigt in 1941. In het tweede deel – waarin soms op choquerende wijze de oorlogsgruwelen worden beschreven – probeert het gezin van Bubi behoedzaam tussen de bezettingsmachten te laveren.

In het laatste deel wordt een nieuw tijdperk ingeluid: het vertrek van de buitenlandse troepen en de triomfantelijke intocht van de Joegoslavische partizanen.

Hopelijk verschijnt ook de rest van de trilogie in vertaling. Zelden is er over de positie tussen de culturen en nationaliteiten aangrijpender geschreven. Lojze Kovacic’ De nieuwkomers behoort tot de grote en onvergetelijke romans uit de Oost-Europese literatuur.