Twee vragen

Nu de moord op Milly is opgelost – niet door de politie maar door de dader zelf – blijf ik achter met twee lastige vragen.

Vraag een: hoe crisisbestendig is onze politie?

Vraag twee: waarschuwen we onze kinderen indringend genoeg voor potentieel onheil?

Op de politie in Dordrecht leek weer eens de Wet van Edward A. Murphy van toepassing. Die wet luidt: „Als er meer dan één manier is om een taak te doen en één van die manieren zal in een ramp resulteren, dan zal iemand het zo doen.” Vervang in de vorige zin ‘ramp’ door ‘blunder(s)’ en we zien de politie in Dordrecht aarzelend aan het werk.

We zagen het al bij zoiets simpels als de woordvoering op de televisie. Deze week verscheen een woordvoerster van de politie in Pauw & Witteman.

Ze stond bij het onderzochte huis van Sander V. en vertelde ons dat er nog niets gevonden was. Ook geen lichaam, vroeg Peter R. de Vries. Nee, ook geen lichaam. Ze liegt, zei De Vries, dat doet de politie meestal in zulke gevallen.

Dat klopte.

Drie kwartier later maakte het Openbaar Ministerie bekend dat Milly in de tuin was opgegraven. Dat de politie voorzichtig moet omgaan met het prijsgeven van informatie, begrijpen we allemaal. Maar waarom leugens debiteren als het niet nodig is? Die woordvoerster had best tegen de redactie van P&W kunnen zeggen: „Ik kom niet in beeld, want ik kan nog niets zeggen. En als jullie per se willen dat ik in beeld kom, dan zal ik zeggen dat ik niets kan zeggen.”

Zulke fouten versterken het beeld van een organisatie die, letterlijk en figuurlijk, niet goed weet waar ze het zoeken moet. Zelfs als het slachtoffer het woord ‘buurman’ in de mond heeft genomen, houden ze eerder rekening met vermissing dan met ontvoering.

Je hoeft toch geen Maigret te zijn om dan onmiddellijk de hele buurt af te sluiten en elke buurman het hemd van het lijf te vragen? Uiteindelijk kwamen ze wel bij V. terecht; ze merkten toen dat hij ‘niet op alle vragen’ kon antwoorden, maar een huiszoeking vonden ze desondanks niet nodig. En pas de volgende dag ontdekten ze dat hij zelf agent was – kennelijk hadden ze niet naar zijn beroep gevraagd of genoegen genomen met een makkelijk verifieerbare leugen.

Hoe kon Sander V. bij de politie door de selectie komen? Een vraag apart. Er duiken nu verhalen op dat hij al in zijn jeugd psychisch zwak was, inclusief zelfmoordpogingen. Als dat waar is, heeft de politie nóg meer uit te leggen.

Maar, vraag twee: doen wij ouders het wel allemaal zo goed? Waarschuwen we onze kinderen voldoende? Een poos geleden schreef ik een stukje over mijn vrouw die in het huis van onze dochter twee kleine meisjes binnenliet die om een donatie voor ijsberen vroegen. Mijn dochter vond dat binnenlaten niet verstandig: „Die kinderen komen erdoor in verwarring. De volgende keer gaan ze bij een of andere engerd binnen die niet te vertrouwen is.”

Ik moest toen denken aan de ouders van die kinderen. Je moet kinderen niet onnodig angstig maken, dat is waar, maar ze zonder begeleiding langs de deur laten gaan, zoals zij hadden gedaan? Je kunt het de Sanders V. ook te makkelijk maken. En mogen je kinderen, als ze alleen zijn, wél de eigen deur openmaken, zoals Milly deed? Liever niet, vrees ik.