Studeer voor niks, betaal later

Als de basisbeurs verdwijnt, zou de financiële drempel om te gaan studeren voor veel studenten te hoog worden.

Klopt niet: kijk maar naar Australië en Groot-Brittannië.

Allereerst een misverstand wegwerken dat vaak de kop opsteekt nu de basisbeurs dreigt te verdwijnen: studiefinanciering is niet het belangrijkste instrument om de toegankelijkheid van hoger onderwijs te waarborgen. Doorslaggevend voor de vraag of iemand gaat studeren, is vooral de vooropleiding. Willen we meer mensen de weg naar hoger onderwijs laten vinden, dan zijn vooral de toevoerroutes van belang. Het zijn vooral talentvolle kinderen uit achterstandsgroepen die dan een duwtje in de rug nodig hebben.

Studeren is duur, zo weten studenten en hun ouders. Toch zien ze allemaal dat hun offers zich in de toekomst zullen uitbetalen. Studeren loont – is een investering in jezelf – en cijfers wijzen dat uit. Omdat studeren ook een investering is in de samenleving, betaalt de overheid fors mee. Het onderwijs aan een student kost al gauw 6.000 tot 10.000 euro per jaar. Tachtig procent daarvan komt voor rekening van de belastingbetaler. We hebben als samenleving dus heel wat over voor een goed opgeleide beroepsbevolking. Gewoon omdat zich dit economisch en maatschappelijk uitbetaalt.

Een tweede misverstand: als de basisbeurs verdwijnt, zal de financiële drempel te hoog worden voor veel studenten. Wel, dat ligt er maar aan. Van landen als Australië en Groot-Brittannië kunnen we namelijk leren hoe op een slimme manier studenten en overheid gezamenlijk de kosten kunnen delen, zonder nadelige gevolgen voor de toegankelijkheid. Sinds 1989 betalen Australische studenten het collegegeld pas nadat ze zijn afgezwaaid; de overheid schiet het collegegeld eerst voor en betaalt de resterende kosten. De student studeert dus voor niks en betaalt pas achteraf. Geen financiële drempels dus. Uiteraard bouwt de student dan wel een schuld op, maar de aflossing begint pas op het moment dat een inkomen wordt verdiend boven een drempelinkomen. Boven deze drempel houdt de Australische belastingdienst automatisch enkele procenten van het belastbaar inkomen in. Naarmate het inkomen stijgt, worden ook de inhoudingen (zowel absoluut als relatief) hoger. Terugbetaling naar draagkracht. Wie veel verdient, betaalt sneller terug. Eenvoud troef. Wil een student toch liever niet lenen, dan kan dat. Wie het collegegeld direct betaalt, krijgt een korting van 20 procent op het collegegeld. Het Australische systeem is in de loop van de tijd verder geïnnoveerd. Wat hetzelfde is gebleven, is de rente op de collegegeldlening. Deze is gelijkgesteld aan de inflatie. Studenten lenen dus goedkoop.

In Groot-Brittannië is in 2006 een vergelijkbaar systeem ingevoerd. Ook daar is hoger onderwijs gratis gedurende de studie en betalen studenten achteraf. Inmiddels is in het land de discussie losgebrand over de studieleningen, maar meer nog over de collegegelden. Zo betaalden studenten vroeger een vast bedrag aan collegegeld (1.225 pond), maar sinds 2006 kunnen universiteiten variabele collegegelden heffen tot een bepaald maximum (momenteel 3.225 pond). Vrijwel alle universiteiten vragen echter het maximum voor hun bacheloropleidingen. Wel is het zo dat universiteiten die een hoger tarief vragen dan dat van vóór 2006 verplicht zijn beurzen te geven aan studenten uit de lagere inkomensgroepen. Zo worden universiteiten op hun maatschappelijke taak gewezen.

Australië heeft vanaf 1997 de collegegeldtarieven fors verhoogd (tot 50 procent van de gemiddelde onderwijskosten). Elke universiteit kan nu zelf de hoogte van het collegegeld bepalen tot een maximum dat verschilt voor drie groepen van opleidingen. Afhankelijk van de kosten per opleiding en het verwachte inkomen van afgestudeerden betalen studenten (achteraf) een collegegeld van maximaal 3.500, 4.900 of 5.700 euro. Voor opleidingen met een beschermde status (lerarenopleiding, verpleegkunde, wis- & natuurkunde) geldt een maximum van 2.750 euro. De collegegeldverhoging en -differentiatie hebben echter niet negatief uitgewerkt op de inschrijvingen aan universiteiten.

Voor een student zijn er behalve de collegegelden de kosten van levensonderhoud. Als tegemoetkoming hierin kent Australië inkomensafhankelijke beurzen. Engeland daarnaast ook leningen. Dit alles om de deelname vanuit sociaal-economisch zwakkere groepen te bevorderen. Hier schieten Australië en Engeland echter ernstig tekort. De beurzen zijn laag en achterstandsgroepen worden onvoldoende bereikt. Extra maatregelen zijn aangekondigd om het beschikbare publieke geld gerichter in te zetten. Groot-Brittannië denkt aan het introduceren van een rente op studieleningen om zo meer publiek geld over te houden voor subsidies aan achterstandsgroepen. Australische universiteiten krijgen targets opgelegd voor de deelname vanuit lagere inkomensklassen.

Wat leren we van Australië en Groot-Brittannië? Dat leenangst niet moet worden overdreven. Studenten zijn best bereid om te lenen, als het maar iets oplevert. Als aflossingen inkomensafhankelijk zijn, lopen ze geen risico in financiële problemen te komen. Is het te lenen bedrag hoger door hogere collegegelden, een lagere beurs of hogere rente, dan duren de maandelijkse aflossingen simpelweg iets langer. De grootste uitdaging ligt in het betrekken van de sociaal-economisch zwakkeren bij hoger onderwijs. Daar zitten onbenutte talenten. Als daar een deel van de besparingen op de basisbeurs terechtkomt, profiteert de hele samenleving.

Ben Jongbloed is onderzoeker bij CHEPS, Center for Higher Education Policy Studies, Universiteit Twente