Sorry voor het verleden

Excuses maken voor fouten uit het verleden heeft een hoge vlucht genomen.

Vandaag is het de beurt aan paus Benedictus. Maar wat zijn dit soort gestes waard?

Het was koud toen de Duitse bondskanselier Willy Brandt op 7 december 1970 op zijn knieën zeeg bij het Monument voor de Helden van het getto van Warschau. Alle aanwezigen waren verrast. Het was de bedoeling geweest dat Brandt een krans zou leggen, maar de kanselier had voor zichzelf besloten dat dit gebaar niet volstond om uiting te geven aan de Duitse wroeging over wat er in de Tweede Wereldoorlog gebeurd was.

Excuses maken voor fouten uit het verleden is een fenomeen dat sinds Brandts spontane actie een hoge vlucht genomen heeft. Vandaag is het de beurt aan de bisschop van Rome, paus Benedictus XVI. Petrus’ opvolger zal een pastorale brief tekenen, waarin hij naar verwachting zijn spijt uitspreekt over kindermisbruik in de Katholieke Kerk in Ierland. Maar wat is eigenlijk de waarde van dit soort excuses voor historisch leed?

In de Bondrepubliek Duitsland waren de reacties op der Kniefall von Warschau sterk verdeeld. Weekblad Der Spiegel presenteerde een week later de resultaten van een opiniepeiling: 48 procent van de Duitsers vond de knieval overdreven, terwijl 41 procent de actie gepast vond. De rest had geen mening. Opvallend was dat in de leeftijdsgroep van 30 tot 59 jaar de meerderheid vond dat Brandt te ver was gegaan, in tegenstelling tot leeftijdscategorieën daarboven en daaronder. Een redacteur van het tijdschrift schreef in en begeleidend artikel: „De wijsheid der jaren, zo schijnt het, kan net zo goed als de onbevangenheid der jeugd, begrip opwekken voor een geste die net zo ongewoon is als de gebeurtenis waarop hij betrekking heeft.”

Bijzonder was de geste zeker, maar wat was het nut ervan? De doden bleven dood. Een cynicus zou kunnen zeggen dat Brandt – die overigens zelfs van 1933 tot 1945 in Noorwegen en Zweden verbleef omdat de nazi’s hem naar het leven stonden – politieke motieven had voor zijn actie. Hij zocht steun voor zijn Ostpolitik, die een normalisering van de betrekkingen teweeg moest brengen tussen Duitsland en de landen ten oosten van het IJzeren Gordijn. Die conclusie zou Brandt echter tekort doen. Zijn spijt voor het gedrag van Duitsland was oprecht.

Voor het beroemdste níét-gemeende publieke excuus uit de Europese geschiedenis moeten we terug naar 1077. Keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk, een verre voorganger van Brandt, werd in dat jaar ontboden door paus Gregorius VII, een verre voorganger van Benedictus. De twee hadden ruzie over de vraag wie in Duitsland de bisschoppen mocht benoemen. Hendrik ontkende het gezag van de paus, waarop deze hem excommuniceerde.

Dat was een groot probleem voor de keizer, want afgezien van het feit dat dit hem na zijn dood een plaatsje in de hel zou opleveren, betekende het bij leven dat al zijn onderdanen een excuus hadden zich aan zijn gezag te onttrekken. Er restte Hendrik dus niets anders dan zich te onderwerpen aan de paus. Daartoe moest hij afreizen naar het Italiaanse plaatsje Canossa. ‘De gang naar Canossa maken’ is sindsdien synoniem voor het moeten aanbieden van vernederende excuses.

Want vonden veel Duitsers al dat Brandt overdreef met zijn knieval, Hendrik toonde zijn berouw nog vele malen ostentatiever. Hij trok blootsvoets, met slechts een boetekleed van ruwe haren aan, over de bergen naar het zuiden. Gregorius liet hem drie dagen buiten in de vrieskou staan, zonder eten, alvorens hij hem op 28 januari naar binnen liet en zijn knieval liet doen.

Alle excuses van publieke figuren zijn eigenlijk in te delen in de categorie-Brandt (oprecht) of de categorie-Hendrik (afgedwongen/onoprecht). Sommigen menen te weten dat de verwachte spijtbetuiging van Benedictus in die laatste categorie valt. Dat bleek afgelopen woensdag, toen de paus pelgrims en toeristen over de kwestie wilde toespreken op het St. Pietersplein. Een man schreeuwde „gelul, gelul”. Ook wees hij met zijn hand agressief richting Benedictus. De politie verwijderde de man, terwijl die bleef schreeuwen.

Het publiekelijk aanbieden van excuses is de laatste tijd ook nogal aan inflatie onderhevig. Als iedereen alsmaar ‘sorry’ zegt, verliest dat woord veel van zijn waarde. Paus Johannes Paulus II vroeg in 2000 al eens vergiffenis voor fouten die de Katholieke Kerk heeft gemaakt in haar tweeduizendjarige bestaan, dus strikt genomen had Benedictus vandaag kunnen volstaan met zijn excuses voor de misbruikgevallen van de afgelopen tien jaar.

Een kleine greep uit andere opvallende spijtbetuigingen van de afgelopen tijd: premier Kok die in 2002 in Srebrenica zijn „medeleven” uitte (geen spijt, want de schuld voor de dood van de moslimmannen lag bij de Serviërs), het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden dat in 2008 zijn excuses maakte voor de slavernij en de Britse premier Gordon Brown die dit jaar zijn verontschuldigingen aanbood aan de arme kinderen die in de vorige eeuw gedwongen gedeporteerd waren naar Australië. En Tiger Woods wegens zijn seksverslaving, niet te vergeten.

De motie die in het Amerikaanse Congres werd aangenomen, toont aan hoe problematisch dit soort excuses voor fouten uit het verleden zijn. Voor de motie stemden namelijk ook zwarte afgevaardigden, die daarmee in wezen hun spijt uitspraken over het feit dat ze afgevaardigde waren in het Amerikaanse Congres.

In Nederland zijn nooit officieel excuses aangeboden voor de slavernij, hoewel daar vanuit bijvoorbeeld de Surinaamse gemeenschap wel om gevraagd is. Slavernij is eeuwenlang zo universeel geweest dat uiteindelijk elk land zijn excuses aan zou moeten bieden aan een ander land voor wandaden in een ver of minder ver verleden: Marokko aan Nederland bijvoorbeeld voor de slavenjacht van de Barbarijse kapers en Italië aan heel Europa voor het feit dat de Romeinse economie volledig afhankelijk was van slaven.

Soms is het wellicht beter het verleden maar te laten voor wat het is. Want hoe waardevol zijn al die excuses uiteindelijk? De knieval van Willy Brandt kon de val van Srebrenica niet voorkomen.