Nederland versukkelt

Buitenlandse verzamelaars en kunstenaars beginnen Amsterdam te vergeten. Dat het Stedelijk Museum maar dicht blijft, is een drama voor de kunstwereld. „De energie is weg, dat vind ik nog het ergste”, zegt galeriehouder Annet Gelink.

Lex ter Braak, directeur van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst, weet het zeker: de effecten van de langdurige sluiting van het Stedelijk Museum in Amsterdam beginnen zich duidelijk af te tekenen. „Als ik mensen uit het buitenland spreek, hoor ik dat zij überhaupt geen reden meer zien om naar Nederland te komen. Vroeger vlogen ze van Stockholm via Amsterdam naar Londen, nu slaan ze Amsterdam over.”

Ter Braak is niet de enige die zich hierover zorgen maakt. Wie af en toe een opening van een galerie bezoekt, of een Amsterdamse kunstenaar spreekt, merkt dat de sluiting van het Stedelijk Museum al maanden hét gesprek van de dag is. Er wordt geklaagd dat de Amsterdamse kunstwereld in slaap is gesukkeld. Want wat stelt een stad zonder museum voor hedendaagse kunst nog voor?

Er hangen bad vibes rond het belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst dat Nederland kent. Dat heeft natuurlijk te maken met de almaar uitgestelde heropening, die nu gepland staat voor 2011. Maar ook de stroom aan negatieve berichtgeving die de afgelopen weken naar buiten kwam, helpt niet echt de toekomst rooskleurig tegemoet te zien. Zo dreigde een bruikleengever, de Broere Charitable Foundation, vorige maand zijn collectie van 26 schilderijen terug te halen omdat er volgens de stichting bij het Stedelijk sprake was van „amateurisme” en „een dorpse mentaliteit”.

Nog geen week later maakte de nieuwe Stedelijk-directeur Ann Goldstein bekend te stoppen met de nieuwe huisstijl, met een woede-uitbarsting van de ontslagen ontwerper Pierre di Sciullo tot gevolg. En intussen hing een voormalig lid van de raad van toezicht, Hans Andersson, de vuile was buiten in een interview met de Volkskrant. Volgens hem hadden veel problemen voorkomen kunnen worden als de gemeente Amsterdam een betere bouwheer was geweest.

Otto Nan, eigenaar van het Lloyd Hotel in Amsterdam, besloot in december dat het tijd werd voor actie, nadat hij had gehoord dat de verbouwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam opnieuw was vertraagd. „Ik merk in mijn omgeving dat het Stedelijk Museum iedereen aan het hart gaat, maar dat we al het slechte nieuws over het museum zo lijdzaam ondergaan. Want wat kun je er als gefrustreerde buitenstaander aan doen?”

Nan begon een sms-actie. Wie ‘DOE IETS!’ naar 4422 sms’t, doneert daarmee 1,50 euro aan het Stedelijk. „Ik vond het belangrijk dat mensen anoniem konden actievoeren”, zegt Nan. „Want het ligt natuurlijk gevoelig. Als kunstenaars nu openlijk kritiek hebben op het Stedelijk, kan dat hun carrière later schaden. Zelf heb ik geen ambities binnen de kunstwereld en kan ik dus wel proberen de onvrede zichtbaar te maken.”

Dat die onvrede ook echt leeft in Amsterdam, en ver daarbuiten, werd snel duidelijk. Binnen een dag kreeg Nan vijfduizend sms’jes met steunbetuigingen. Inmiddels heeft de actie zo’n 10.000 euro opgeleverd. En op de speciaal voor dit doel opgerichte Facebooksite hebben zich in een paar weken tijd 1.500 fans gemeld.

Hoezeer er door de kunstscene gesnakt wordt naar haar Stedelijk Museum blijkt wel uit de felle reacties op Facebook. We moeten de straat op, wordt er geroepen, er moet kabaal gemaakt worden. Kunstenaar Moritz Ebinger stelt voor om het museumgebouw te kraken. „Ze zullen met een tegenactie moeten komen of het Stedelijk wordt daadwerkelijk gerund door kunstenaars”, schrijft hij. En architect Martijn de Potter vraagt zich af of aannemer Midreth, nu de bouw van het Scheringa Museum stilligt, niet wat extra mannetjes op het Stedelijk kan zetten, zodat wat verloren tijd wordt ingehaald. „Ben zelf al zo gewend aan geen Stedelijk, dat ik bijna vergeet dat het een belachelijke situatie is”, klaagt hij.

Het Stedelijk reageert defensief op al die kritiek. Het had toch prachtige tentoonstellingen georganiseerd op een tijdelijke locatie in Post CS? Het had zijn collectie getoond op exposities in de Nieuwe Kerk en het Van Gogh Museum. In 2009 was het museum een jaar lang door de wijken getrokken met een bouwkeet als uitvalsbasis. En dat de heropening steeds maar werd uitgesteld, frustreerde het Stedelijk zelf ook. Maar daarvoor was de gemeente, als eigenaar van het gebouw, nu eenmaal verantwoordelijk.

„De schuldvraag is niet interessant”, vindt Otto Nan. „Ik wilde met mijn actie ook geen schuldige aanwijzen, maar vooral een positief geluid laten horen. Er moet gewoon een Stedelijk zijn, klaar.” Nan vindt wel dat het Stedelijk zich een beetje slap opstelt. „Het is een slechte gok geweest om Post CS te sluiten. Er had beter gezocht moeten worden naar alternatieve locaties. De bouwkeet was een project waar je liever niet over vertelde aan je buitenlandse vrienden, maar zelfs daar is het museum mee gestopt. En nu is er niets.”

De gevolgen voor de creatieve industrie in Amsterdam zijn groot, zegt Nan. „Voor kunstenaars die nu in de bloei van hun carrière zijn, is het echt een drama dat het Stedelijk al zo lang dicht is. En ook galeries ondervinden schade. Internationale verzamelaars komen niet meer naar Nederland, tentoonstellingsmakers ontmoeten elkaar in het buitenland, maar niet meer hier. Toeristen hebben minder redenen om Nederland te bezoeken. En mijn zoon van dertien is nog nooit in het Stedelijk geweest. Een hele generatie groeit op zonder museum.”

Annet Gelink, eigenaar van een toonaangevende Amsterdamse galerie, staat achter de noodkreet van Nan. Zij beaamt dat er al jaren minder buitenlandse verzamelaars en curatoren naar Amsterdam komen. „Vergis je niet, er was de afgelopen twee jaar voor liefhebbers van hedendaagse kunst heel weinig te beleven in Amsterdam. Zelfs De Appel was dicht. De energie is weg, en dat vind ik nog het ergste. Als je als galerie je openingen niet meer kunt afstemmen op die van musea, dan gaat er een hoop levendigheid verloren.”

Werkte het vrije, tolerante Amsterdam in de jaren zestig en zeventig nog als een magneet op buitenlandse kunstenaars, nu trekken diezelfde kunstenaars weg omdat er geen doorgroeimogelijkheden zijn. „Iemand als Marina Abramovic, nu een superster in New York, is natuurlijk niet voor niets weggevlucht uit Amsterdam”, zegt Gelink. „Voor galeries is een goede infrastructuur van musea en alternatieve kunstplekken heel belangrijk, daar kun je bij kunstenaars mee scoren.”

Gelukkig komen er, dankzij de Rijksakademie en De Ateliers, nog wel steeds jonge kunstenaars vanuit het buitenland naar Amsterdam. Gelink: „Er is dus absoluut jonge aanwas, maar de follow-up is weg. Kijk naar een veelbelovende kunstenaar als Thomas Houseago, die zijn werk nu toont op de Whitney Biennale in New York. Hij heeft op De Ateliers gezeten en zat vroeger bij de Amsterdamse galerie Fons Welters. Maar zo iemand trekt weg uit Amsterdam als hij hier geen expositiemogelijkheden heeft. Nu zit hij bij een galerie in Brussel.”

Gelink vertelt dat ze zelfs projecten heeft moeten afzeggen omdat het Stedelijk dicht is. Zo was het Reina Sofia in Madrid geïnteresseerd om een tentoonstelling te maken met werk van de Kroaat David Maljkovic, die twee jaar aan de Rijksakademie verbleef en van wie het Stedelijk werk heeft aangekocht. „Het Reina Sofia toonde zijn werk in 2009 en wilde graag samenwerken met een Nederlands museum. De bedoeling was dat de tentoonstelling in 2010 zou doorreizen naar het Stedelijk. Maar omdat de heropening vertraagd is, ging de tentoonstelling in Amsterdam niet door.”

Als directeur van de Rijksakademie heeft Janwillem Schrofer het aantal aanmeldingen van jonge kunstenaars nog niet zien dalen. Wel krijgt hij regelmatig teleurgestelde reacties te horen van kunstenaars die van buiten Europa komen, uit Afrika of Latijns-Amerika. Zij kennen de collectie van het Stedelijk alleen van afbeeldingen en zijn onthutst als ze vernemen dat ze die werken niet in het echt kunnen zien. „Zij vinden in Amsterdam geen museum voor hedendaagse kunst en zijn geschokt”, zegt Schrofer.

Vroeger kwam het regelmatig voor dat kunstenaars van de Rijksakademie in het Stedelijk exposeerden. Maar als zo’n plek er niet is, zegt Schrofer, zie je dat kunstenaars wegdraaien van de stad en doortrekken, naar bijvoorbeeld Londen of Berlijn. „Amsterdam blijft een vrij kleine stad – rustig, vriendelijk en niet al te hip. Dat is leuk voor twee jaar, maar daarna hebben de meesten het hier wel gezien. Soms houden kunstenaars die elkaar aan de Rijksakademie hebben leren kennen met zijn drieën of vieren een appartement in Amsterdam aan. Maar ook dat gebeurt nu minder. En dat heeft volgens mij direct te maken met het verschraalde kunstaanbod in deze stad.”

Ann Demeester, directeur van De Appel en tot voor kort intendant Kunst en Stedelijke Ontwikkeling, merkte aan den lijve hoezeer de Amsterdamse kunstwereld naar een ontmoetingsplek hunkert. Toen De Appel vorige maand heropende op een tijdelijke locatie in De Pijp stonden de rijen tot om de hoek. „De onvrede over het gemis van het Stedelijk wordt steeds erger en begint nu om te slaan in irritatie”, constateert zij. „Wat overheerst is een gevoel van moedeloosheid. Gaat dat museum er ooit nog komen? Anders dan bij de Noord-Zuidlijn leeft er onder Amsterdammers een groot verlangen naar het Stedelijk. Want een metro kun je missen, maar een museum niet.”

Demeester ziet het Stedelijk als een belangrijk referentiepunt voor De Appel. „Het museum is het mothership. Mensen die zich in hedendaagse kunst willen verdiepen, gaan niet eerst naar De Appel, die beginnen bij het Stedelijk. Daar kan het publiek langzaam wennen aan het raadsel dat hedendaagse kunst is. Ik zie het Stedelijk als een gewenningskliniek, een visuele alfabetiseringsmachine waar je kunst leert lezen. Nu het museum dicht is, voelt het alsof er op die plek een grote krater is.”

Voor kunstprofessionals is er nu minder aanleiding om naar Amsterdam te komen, ondervindt Demeester. „Als ik met mijn buitenlandse collega’s praat, merk ik dat bij hen een gevoel van ongeloof heerst: is het Stedelijk nu nog steeds niet open? Dat zelfs in een georganiseerd land als Nederland zulke kafkaëske toestanden kunnen bestaan, vinden zij ongelofelijk.”

Het verslechterende kunstklimaat in Nederland is al jaren een grote zorg, zegt Fonds-directeur Ter Braak. „Daar heeft iedereen in de kunstwereld het over. Nederland versukkelt in provincialisme. Als je naar Londen of New York gaat, weet je dat daar het hele jaar door mooie dingen te zien zijn. Het is altijd raak. Maar in Amsterdam stap je op je fiets en weet je niet waar je heen moet.”

Natuurlijk is het probleem van culturele verschraling niet alleen het Stedelijk aan te rekenen. Ook het veranderende politieke klimaat is een boosdoener, zo menen de betrokkenen. „We kampen nu met een ongelukkige combinatie van veel gesloten musea en ongunstige politieke ontwikkelingen”, zegt Janwillem Schrofer.

Het probleem is dat er te veel verantwoordelijkheden heen en weer worden geschoven, vindt Ann Demeester. „Het Stedelijk is niet alleen het probleem van de Amsterdamse wethouder voor cultuur, maar van de hele gemeenteraad. Het Stedelijk zou voor de gemeente een prioriteit moeten zijn, net als de Noord-Zuidlijn.”

Lex ter Braak gaat nog een stap verder en zegt: „Het langer dichtblijven van het Stedelijk is niet alleen een Amsterdams probleem. Het gaat het hele land aan. Het is belachelijk hoe weinig dat museum te besteden heeft. Er zou veel meer geld naartoe moeten, ook vanuit de landelijke politiek.”

Uiteindelijk is de grote vraag natuurlijk hoe het Stedelijk, en daarmee ook de stad Amsterdam, dat goede gevoel, die creatieve vibes, weer terugkrijgt. Want, zo zegt Annet Gelink: „De situatie die nu ontstaan is, is echt dodelijk. En hoe vaker je dat zegt, hoe erger het wordt. Ik denk iedere dag wel eens: had het Stedelijk destijds dat ontwerp van Alvaro Siza maar uitgevoerd. Dan hadden we nu tenminste een museum gehad.”