Mongolen waren geen barbaren

De steppevolken van Centraal-Azië waren meer dan alleen vechtlustig. Een fascinerende studie toont hoe het beeld van moordende volken een klassiek geval van blaming the victim is.

Christopher Beckwith: Empires of the Silk Road. A History of Central Eurasia from the Bronze Age to the Present. Princeton University Press, 472 blz. € 32,75.

Het Verdrag van Nertsjinsk behoort niet tot de parate kennis van de doorsnee Europeaan, terwijl dat wel zou moeten, vindt de Amerikaanse historicus Christopher Beckwith. Het verdrag werd in 1689 gesloten tussen Rusland en China. Het legde de grenzen tussen de twee grote rijken vast en regelde de handelsbetrekkingen. De grote verliezers waren de traditioneel zelfstandige volken, zoals de Oezbeken, de Kirgiezen, de Oeigoeren en de Mongolen die de grenszone tussen de twee supermachten meer dan tweeduizend jaar lang bewoond hadden. In Empires of the Silk Road schrijft Beckwith over de geschiedenis van deze verliezers.

Het standaard historische beeld van Eurazië was, en is grotendeels nog steeds, gebaseerd op een tweedeling tussen de ‘grote beschavingen’ en de nomadische ‘barbaren’. Aan de ene kant staan China, India, Iran, het Hellenisme en het Romeinse rijk, de islamitische wereld, en ten slotte Rusland en Europa. Aan de andere kant de volkeren van Centraal-Eurazië die leven in ‘afgelegen streken’, in de harde omgeving van steppen en hoogvlakten waarin zich hoogstens verspreide oasen en steden bevinden. De nomadische ruitervolken worden gekenmerkt door een ‘barbaarse’ cultuur van roof en geweld. Deze etnografische tweedeling van Eurazië duikt voor het eerst op bij de geschiedschrijvers en geografen in de oudheid, keert later terug in het contrast tussen de ‘hoge’ wereldgodsdiensten van de beschaafde volken en de ‘primitieve’ mythologie van de Centraal-Aziaten, en wordt in de Europese Verlichting omgewerkt tot het onderscheid tussen de tweede en de derde ontwikkelingsfase van de mensheid.

In die visie wordt het stadium van de nomadische ‘barbaren’ gevolgd door dat van de agrarische ‘beschavingen.’ Het beeld van Attila’s Hunnen en Djengis Khans Mongolen in onze geschiedenisboeken is getekend naar dit standaardbeeld. Ook hedendaagse berichtgeving over het verzet van de Tibetanen en de Oeigoeren tegen de Chinese overheersing draagt er de sporen van. Beckwiths fascinerende Empires of the Silk Road is te lezen als een doorgaande polemiek tegen deze voorstelling van zaken.

Steppevolkenperspectief

Centraal-Eurazië omvat de brede steppezone die van de Oekraïne tot in het huidige Buiten-Mongolië loopt, plus de nieuwe staten die in het zuiden van de voormalige Sovjet-Unie ontstaan zijn, en verder het oosten van Iran, Afghanistan en de regio’s Tibet en Sinkiang (‘Nieuw Grensgebied’) van het tegenwoordige China. In wereldhistorische overzichtswerken wordt Centraal Eurazië meestal in een eurocentrisch of sinocentrisch perspectief besproken, zodat de volkeren van het gebied voornamelijk gezien worden als perifere ‘barbaren’ die door hun militaire kracht en hun vernietigende plundertochten een bedreiging voor de geciviliseerde rijken vormden.

Beckwith keert dit perspectief radicaal om. De volkeren van Centraal-Eurazië staan in het centrum van zijn geschiedverhaal, terwijl hij de klassieke grote beschavingen tot de periferie rekent. De conflicten met de Chinezen, Perzen, Romeinen en Europeanen analyseert hij consequent vanuit het gezichtspunt van de steppevolken, onder wie de Scythen, de Kalmoeken, de Joengharen en de Hsiung-nu.

Er verschijnt een rijk geschakeerd beeld, en dat is precies het punt dat Beckwith wil. De aristocratie van de Centraal-Aziatische imperia was volgens hem van nomadische origine, maar hun rijken waren vrijwel altijd economisch gemengd. Naast de veehouders in de steppe waren er landbouwgebieden en handelssteden waar talrijke ambachten bloeiden. Het beeld van een ‘zuiver nomadisme’ is volgens Beckwith een mythe. In dat verband bestrijdt hij ook de interpretatie van de Zijderoute als een handelsweg tussen Europa en China waarin voor de nomaden slechts de rol van beschermers of rovers was weggelegd. De ‘Zijderoute’ was volgens hem in de eerste plaats een economisch, politiek en cultureel netwerk in Centraal-Eurazië zelf dat daarnaast communicatie tussen China en Europa mogelijk maakte.

Een tweede stereotype voorstelling die Beckwith bestrijdt, is de opvatting van de steppevolken als krijgerculturen die geweld boven al het andere verheerlijkten en bezongen. Beckwith geeft toe dat er een cultuur was waarin de mannelijke vechtjassen de hoogste status genoten, maar brengt er tegenin dat het ethos van een militaire aristocratie ook de boventoon voerde in grote agrarische beschavingen.

Dat klopt zeker, maar het neemt de twijfel niet weg. Hoe was de steppefederatie van de Hsiung-nu bijvoorbeeld in staat om Han-China geducht militair weerwerk te bieden, terwijl zij op zijn hoogst twee miljoen zielen telde tegenover zo’n vijftig miljoen Chinezen? Dat lijkt toch een indicatie voor een hoge graad van militarisering van de Hsiung-nu.

Helden

Aan de andere kant heeft Beckwith gelijk met de vaststelling dat de grote agrarische civilisaties het uiteindelijk overal wonnen van de steppevolkeren. De staten van Centraal-Eurazië konden de perifere agrarische rijken nooit veroveren tenzij ze door een burgeroorlog in elkaar stortten, zoals de late Mingdynastie in de tweede helft van de 17de eeuw. De Mantsjoes die de nieuwe Qingdynastie vestigden, verloren echter op den duur hun eigen steppecultuur en assimileerden zich effectief.

In de afgelopen tweeduizend jaar was het de militaire en demografische expansie van de agrarische civilisaties die succes had. In dat licht verschijnt het historische beeld van de moordende en plunderende steppevolken als een klassiek geval van blaming the victim.

Beckwith straalt een aanstekelijke sympathie voor de steppevolken uit. ‘They were heroes’, zo luidt de slotzin van zijn inleiding. Helaas overdrijft hij ook, zoals in zijn stelling dat Centraal- Eurazië via een wijdvertakt proces van culturele diffusie de oerbron van alle grote beschavingen van de Oude Wereld vormde. Het heeft weinig zin de ene oorsprongsmythe door de andere te vervangen.

De geschiedenis die Beckwith beschrijft past in een historische visie die de nadruk legt op cultuurvermenging en heterogeniteit. Het is jammer dat hij zijn indrukwekkende kennis van de talen en culturen van Centraal-Eurazië, koppelt aan een hoofdstuk over de 20ste eeuw waarin hij een onbeheerste tirade afsteekt tegen het ‘modernisme’, een cultuurvernietigende moloch waarin Hitler en Stalin, Rousseau, de Verlichting, Atatürk, Khomeiny en moderne kunst op één hoop worden gegooid. Gelukkig maakt zijn briljante epiloog over het begrip ‘barbaren’ weer veel goed.