Laten we op straat niet over politiek spreken

Arnon Grunberg reist van Istanbul naar Bagdad en doet verslag van zijn belevenissen. Vandaag maakt hij een omweg naar Diyarbakir. Aflevering 12.

Het enige hotel in het centrum van het stadje Nusaybin, eindpunt van het treintraject Gaziantep-Nusaybin, heeft kamers die naar pis ruiken.

Iets buiten de stad is een islamitisch truckershotel. Nusaybin ligt op de doorgangsroute naar Irak, en Turkije is vooral in het noordelijke gedeelte van Irak flink aan het investeren.

Het truckershotel heeft schone kamers, maar om het hotel in te mogen moet je slippers aan en om vijf uur word je gewekt om naar de moskee te gaan, vertelt de taxichauffeur.

Sinds ik heb gehoord dat alleen moslims de bedevaart naar Mekka mogen maken overweeg ik om moslim te worden. Een beetje literator stapt over zijn identiteit heen zoals een getraind paard over een hindernis springt. Maar na een treinreis van bijna dertien uur zie ik ertegenop om om vijf uur op te staan.

Voordat ik de grens naar Irak zal passeren maak ik nog een omweg langs de hoofdstad van wat ooit Koerdistan moet worden, Diyarbakir.

Langs de grens met Syrië zijn een hoop Turkse militairen, maar de Turkse militaire politie laat zijn aanwezigheid ook merken rondom Diyarbakir.

In het oude centrum van de stad is een politiepost vrijwel geheel bedekt met een Turkse vlag.

Alsof de Turken zichzelf eraan moeten herinneren dat ze nog in Turkije zijn.

Ik heb afgesproken met Askin, een 25-jarige kunstenares die ook lerares is. Ze is van Koerdische afkomst. Als ik haar op straat vraag naar de politieke situatie zegt ze: „Daar wil ik op straat liever niet over spreken.”

In een klein café op de eerste verdieping in een winkelstraat in het nieuwe gedeelte van Diyarbakir legt ze uit dat het niet gevaarlijk is om in het openbaar over zulke dingen te spreken, maar dat het onprettig is als mensen het horen.

Twee vrienden van haar voegen zich bij ons: Sabor, een Koerdische docent filosofie op een middelbare school en Ikut, een half Arabische, half Turkse docent informatica.

„Komt er een Koerdische staat”, vraag ik.

De Koerden die ik verleden jaar in Irak sprak, waren daar optimistisch over.

„Nee”, zegt Sabor. „Dat zit er niet in. Onze grootste hoop is de Europese Unie. Als Turkije lid wordt van de EU, dan wordt het voor de Koerden hier ook beter.”

Ikut vertelt dat hij een boek over God als gewoon mens heeft geschreven.

„In het leger,” zegt hij, „vond ik God. Oog in oog met de dood word je veel duidelijk.”

(wordt vervolgd)