Kanarie, kaars en vallende lift verwekkers :-)

Ik ben de Columbus van de ‘smiley face’, zegt de Amerikaanse wetenschapper Scott Fahlman, die 27,5 jaar geleden de emoticon :-) uitvond die wereldberoemd werd.

Wat gebeurt er met een kanarie in een vallende lift? Blijft een kaars in zo’n lift branden als de luchtcirculatie verandert? Misschien beter de lift met brandschade en dode kanarie helemaal te mijden.

De emoticon, de zichtbaarste uiting van de digitale taal van vandaag, was er misschien nooit geweest zonder de kaars, de kanarie en de lift.

In 1982, toen in de Verenigde Staten niet meer dan een paar universiteiten, hightechbedrijven en het leger waren aangesloten op het prille internet, voerden de eerste gebruikers de eerste onzingesprekken die later voor internet zo bekend werden.

De online chat werd, natuurlijk, verkeerd opgevat. Een bestuurder van de universiteit die het zag verstarde en plaatste een bericht dat zulke opmerkingen over de lift tot misverstanden en paniek konden leiden. Scott Fahlman, een van die computerwetenschappers van toen, besloot daarop zijn historisch geworden bericht te versturen. Hij stelde voor dat er een joke marker moest komen voor opmerkingen waarbij de intonatie van het gesproken woord ontbreekt – zoals aan het eind van de negentiende eeuw iemand een ironieteken had voorgesteld ten teken dat iets ironisch bedoeld was.

En daarmee maakten, deze week 27,5 jaar geleden, de dubbelepunt, de gedachtestreep en het haakje hun eerste digitale optreden. De emoticon was geboren. „En al snel kreeg dat een heel eigen leven”, zegt Fahlman.

Hij werkt nog steeds aan de School of Computer Science van de universiteit Carnegie Mellon in het Amerikaanse Pittsburgh. In zijn dagelijkse werk heeft hij niets meer met emoticons te maken: hij doet onderzoek naar kunstmatige intelligentie. Op de besneeuwde campus van Carnegie Mellon praat de wetenschapper, die met zijn geringe postuur en volle baard aan Kweetal doet denken, nog steeds graag over zijn uitvinding. Zijn laatste wens, zegt hij, is dat niet zijn naam op zijn grafsteen komt, wel een emoticon. „Ben er alleen nog niet over uit of ik voor een smiley of een droef kijkende frownie kies.”

Fahlmans ogen glinsteren als hij over die beginjaren van het internet praat. Elke instelling had toen één computer, zodat een bericht aan een collega eerst gelezen kon worden als hij zich uitlogde en de collega zich op dezelfde computer aanmeldde. Studenten onderwezen elkaar omdat docenten de ontwikkeling niet konden bijhouden en leefden op pizza tijdens middernachtelijke internetsessies als het netwerk minder traag was. „We rotzooiden flink wat aan.” Er werden vriendschappen gesloten met welbespraakte onbekenden „die in het echt dan gebrekkige sociale vaardigheden bleken te hebben”. Net als nu, concludeert de 61-jarige. „Alleen was dat toen nieuw.”

Fahlman zegt zich het exacte moment van de uitvinding nog te kunnen herinneren. Eerst dacht hij aan de asterisk, totdat iemand zei dat de ampersand geestiger was. „Het &-teken zou eruit zien als een dik kereltje. Maar daar vind ik dus niks humoristisch aan.” Zijn conclusie: één teken was onvoldoende om de gecompliceerde boodschap over te brengen. Het werden er dus twee, beter nog, drie. Pas als de lezer zijn hoofd draait wordt duidelijk dat het een ambigram is – een zijwaarts gelezen teken – „en dan denk je: wow, dat is dus een gezichtje”.

Het geven van deze uitleg duurt al langer dan de tijd die hij er toen over nadacht. Dat is ook te zien aan het oorspronkelijke bericht: de zinsbouw klopt niet helemaal. „Ik raffelde ook gewoon maar wat af.”

Omdat het aantal internetgebruikers (toen heette het nog ARPANET) zo beperkt was, net als de bboards (van bulletin boards, de tegenwoordige nieuwsgroepen of chatrooms), konden Fahlman en zijn collega’s het sneeuwbaleffect van het teken volgen. „Het virus breidde zich al snel uit. Waar berichten maar heen gestuurd konden worden, de smiley face ging mee. Dat was best wel tof: kijk het eens gaan.”

Fahlman mijdt de naam emoticon (een vlechtwoord voor emotive en icons, op het gemoed werkende iconen). Te gemaakt, vond hij. In eerste instantie had ‘joke marker’, grapteken, zijn voorkeur, maar nu noemt Fahlman het steevast een ‘smiley face’.

Dat terwijl hij zelf naast het positief gestemde :-) ook :-( voorstelde. Dat moest aangeven dat een boodschap juist wél serieus genomen diende te worden. Deze betekenis sloeg echter nooit aan; het symbool staat nu voor frustratie of boosheid.

Zoals met alle populaire uitvindingen wordt ook met de emoticon getwijfeld aan de claim van de zelf benoemde geestelijk vader. In 1912 zou de Amerikaanse satiricus Ambrose Bierce bijvoorbeeld Fahlman zijn voorgegaan met \_/ voor een lachend gezicht, en het blad Reader’s Digest gebruikte de emoticon zoals we deze nu kennen al in 1967. Twee jaar later zei de Russische schrijver Nabokov in een interview in The New York Times dat „ik vaak denk dat er een speciaal typografisch teken zou moeten bestaan voor een glimlach – een soort van rond teken, op z’n rug liggend haakje”.

Fahlman twijfelt er niet aan dat de emoticon al eerder bestond. „Er zijn alleen geen mensen die claimen dat ze het eerder hebben uitgevonden; wel dat ze het eerder gezíen hebben.”

De wetenschapper beweert ook niet de enige uitvinder te zijn, hij claimt alleen dat zíjn uitvinding navolging kreeg. „Wie heeft Amerika ontdekt? Een paar Vikingen misschien, wat Ierse vissers desnoods. Maar Columbus’ ontdekking had impact en is blijven hangen. Ik ben de Columbus van de smiley face.”

Blijven hangen is het inderdaad. Er zijn wetenschappers die de emoticontrends bestuderen, er zijn emoticonwoordenboeken met duizenden variaties, softwarebedrijven hebben speciale emoticonprogrammeurs in dienst en alleen al in de VS zijn tientallen ermee verband houdende patenten en handelsmerken aangevraagd.

Met de populariteit kwam, als altijd, ook de kritiek. Echte schrijvers hebben toch geen symbool nodig om een gemoedstoestand te verbeelden, hoort Fahlman dan. „O nee? Denk eens aan het uitroepteken!”

Niet iedereen met een computer kan schrijven als Shakespeare, zegt Fahlman, dus dat moeten we ook niet bij elke e-mail verwachten. Bovendien hoefde Shakespeare niet te vrezen voor auteurs die het allemaal beter denken te weten „en op internet minstens net zo luidruchtig kunnen reageren”. Liever van tevoren aangeven met een emoticon hoe de tekst gelezen moet worden dan een scheldkanonnade over je uitgestort krijgen. Fahlman: „Al die mensen die niet de gave hebben subtiele grappen te maken – ik heb het over de helft van de computergebruikers – hebben wel een middel gekregen om emoties over te dragen. Niet alles online hoeft aan de eis van een subtiel werk van satirische genialiteit te voldoen. Er moeten ook plekken kunnen zijn voor oppervlakkige communicatie.”

Zelf gebruikt hij een of twee keer per dag een emoticon; volgens hem aan de royale kant. Wat Fahlman stoort is dat sommigen overdrijven en elke zin eindigen met een gezichtje of met het decolleté van Dolly Parton :) 8 „Nieuwe computergebruikers denken dat het cool is. Maar het is irritant voor iedereen die al door deze fase heen is.”

Telkens maar blijft de emoticon nieuwe gebruikers vinden. Niet dat Fahlman nog veel op heeft met deze almaar jonger wordende generaties en hun veranderende digitale communicatiemethodes. „Ik zit niet op Facebook, doe niet aan Twitter.” Dan haalt hij wat hij zelf zijn „piece of junk” noemt uit zijn zak, het gammele toestel dat hij als mobiele telefoon gebruikt. „Een sms heb ik nog nooit verstuurd.” En dan: „Kan dat wel hierop?”

Links naar Fahlmans volledige eerste post over de emoticon en een emoticonwoordenboek op nrc.nl/economie