In het Louvre

Tot de zwaarst bewaakte schilderijen ter wereld hoort Da Vinci’s Mona Lisa. In het Louvre word je met pijlen de weg gewezen en zo lang het museum open is, staat er een dichte drom omheen. Dat heb je ook bij De nachtwacht en De aardappeleters, en ik zou niet weten wie deze belangstelling meer verdient. Het zijn in hun soort alle drie meesterwerken. Maar de Mona Lisa heeft iets extra. Het schilderij is beschermd door kogelvrij glas. Er is een stoepje voor en de bewonderaars worden door een hek op een afstand van een meter of vijf gehouden. Zeker drie gespierde suppoosten houden de liefhebbers voortdurend in de gaten. Het lijkt een beetje op een vliegveld. Daar wordt geen enkel risico genomen. De bewaking is op zichzelf tot een bezienswaardigheid geworden. Hoe komt dat?

Ik kan niet naar het schilderij kijken zonder even aan Marcel Duchamp te denken. In 1919 heeft de dadaïst een ansicht van het portret van een beschaafd sikje en een naar boven gepunt snorretje voorzien en het een nieuwe naam gegeven. L.H.O.O.Q. In het Frans uitgesproken klinkt het als Elle a chaud au cul, zij heeft een heet kontje. Deze Mona Lisa is een volstrekt andere dan die van Da Vinci. Dat gebeurt met ieder portret als je het van een snor voorziet. De oogopslag wordt een beetje louche, of je krijgt althans de indruk dat in dit brein meer aan de hand is dan het model wilde toegeven. Bij lachende portretten krijg je een soortgelijk effect als je een paar tanden zwart maakt. Duchamp heeft niet de bedoeling gehad, het werk van Da Vinci toe te takelen. Hij heeft een nieuw kunstwerk gemaakt dat misschien wel tot de roem van de oorspronkelijke Lisa heeft bijgedragen; en zeker is dat andersom het geval.

Maar waarom juist dit schilderij en niet bijvoorbeeld een portret van Hendrickje Stoffels? Dat is het geheim van Da Vinci. Zijn Mona Lisa prikkelt de beschouwer tot een daad, hoe dan ook. Vorig jaar, op 30 juli, slaagde een bezoekster erin een kopje te gooien. Het pantserglas werd licht beschadigd, het schilderij bleef ongeschonden. De politie heeft de aanval twee weken geheimgehouden, uit vrees dat dit initiatief aanstekelijk zou werken. Daarna werd het wereldnieuws. Deze krant heeft er op 19 augustus 2009 een uitvoerig hoofdartikel aan gewijd. Daarin wordt ook een opsomming van andere aanvallen op kunstwerken gegeven. Over de motieven van de werpster is niets bekend.

Een werk van Duchamp, zijn Fontein, uit 1917 is ook het doel van een paar aanvallen geweest. Het is een gewoon urinoir, of liever, een pisbak, die hij gesigneerd heeft met R. Mutt. Waarom die naam? Er zijn veel speculaties maar er is geen uitsluitsel. In januari 2006 maakte het deel uit van een Dada-tentoonstelling in het Centre Pompidou. Daar verscheen de 77-jarige Pierre Pinoncelli, een performance artist, iemand die bij wijze van kunst gebeurtenissen aanricht. Met een hamertje begon hij het porselein te bewerken. Dat werd licht beschadigd en Pinoncelli haalde de wereldpers. Dat was hem al eerder gelukt, in 1993, toen hij een plasje in het kunstwerk deed. Over zeven jaar bestaat de Fontein een eeuw. Dat wordt iets ontzaglijks.

Kijk ik naar de Mona Lisa dan denk ik ook altijd even aan Eddy Christiani en neurie zijn meesterwerk: ‘Ik heb de Mona Lisa ook gezien, het was voorwaar een droom, maar mooier dan het mooiste schilderij, ben jij, mijn lieveling, ben jij’. Zo breng je Duchamp en Christiani onder één noemer. Ze leven voort.