Hoe overleven wij het integratiedebat?

Ayaan Hirsi Ali en Ella Vogelaar publiceren elk een boek met migratieverhalen.

Die staan los van de boeken over de tegenstrijdige en moeizame realiteit.

Ayaan is terug. Reden: de verschijning van Nomade, het vervolg op Ayaan Hirsi Ali’s autobiografie Mijn vrijheid. Ze schrijft in Nomade over haar vertrek (‘verbanning’) uit Nederland, haar verblijf in Washington en haar Somalische jeugd. De verhalen samen vormen één grote aanklacht tegen onderdrukking van de vrouw binnen de islam, vooral in een clancultuur zoals in Somalië. Ze geven een prachtig beeld van het harde leven van een Somalische nomadenfamilie, waarbij alles wordt bepaald door traditie. Een meisje wordt daar, vooral na haar eerste menstruatie, zoveel mogelijk verstopt. ‘Als kind werd me geleerd dat mijn maagdelijkheid belangrijker was dan mijn leven’, schrijft Hirsi Ali. Om die maagdelijkheid te bewaken, moeten vrouwen en meisjes zich bedekken. De walging die zij daarover voelt, vind je op bijna elke bladzijde. De boodschap van Nomade: migranten die zijn opgegroeid in de woestijncultuur en de islam, passen zich in het Westen niet aan. Ze kúnnen zich niet aanpassen, zo diep is hun afkeer van de wereld der ongelovigen en afvalligen. Zijzelf is daarop een grote uitzondering.

Ayaan Hirsi Ali is niet de enige die nu met een boek komt waarin integratie in de westerse samenleving, of het gebrek daaraan, het hoofdthema vormt. Ook Ella Vogelaar, oud-minister van Integratie, schreef een nieuw boek, De verborgen kracht van moslimvrouwen – in alle opzichten de tegenpool van Nomade.

Vogelaar is in deze wereld een buitenstaander. Zij heeft zelf de ontworteling die migratie met zich meebrengt niet meegemaakt, ze kwam in contact met migrantenvrouwen als minister. Waar Hirsi Ali onderdrukking ziet, ziet Vogelaar kracht. Zij beschrijft (migranten)organisaties die zich inzetten om de eerste generatie van migrantenvrouwen uit hun geïsoleerde wereld te trekken en (een beetje) op te leiden. Ze vertelt in korte portretten over vrouwen die daardoor meer zelfvertrouwen krijgen. Zoals de importbruid Zakia (34), moeder van drie kinderen. Via de organisatie Wereldvrouwen werd ze gestimuleerd Nederlands te leren en een assistentendiploma te halen. Zakia werd zelfbewuster: eerst was ze bang om de telefoon op te nemen, nu niet meer; als Zakia werkt, moet haar man op de kinderen passen. En als hij thee wil, zegt Zakia: „Je weet waar de thee staat.”

Het stimuleren van migrantenvrouwen om hun leven in eigen hand te nemen, heeft meer effect dan het huidige ‘Integreer-nú-beleid’, vindt Vogelaar. Je ziet de oud-minister bijna met opgestroopte mouwen achter de computer zitten. Ze is tegen het verbieden van aparte vrouwengroepen bij inburgeringslessen of het eindeloos fulmineren tegen het dragen van een hoofddoek. Ze schrijft: ‘Emancipatie is iets van mensen zelf en kan niet van bovenaf worden verordonneerd, hooguit gestimuleerd.’

Hier spreekt de vrouw die als minister zei dat Nederland over een paar eeuwen mogelijk een land is met een ‘joods-christelijk-islamitische traditie’. Hirsi Ali zou Vogelaars ideeën soft noemen. Ze zou haar een exponent van het oude integratiedenken vinden. En dat is zij ook. Je kunt je afvragen of de integratie snel genoeg gaat, als je pas na tien jaar in Nederland tegen je man durft te zeggen dat hij zelf thee moet zetten. Het is lastig beoordelen, want de portretten zijn kort en oppervlakkig. We leren de vrouwen niet echt kennen.

De boeken van deze twee hoofdrolspelers zijn twee uitersten in het hopeloos gepolariseerde islamdebat. Want in Nomade heeft Hirsi Ali helemaal geen oog voor voorbeelden van geslaagde integratie. Ze zijn afwezig, net als de moslims die niet uit een stammencultuur komen. Terwijl die voorbeelden van geslaagde integratie er in overvloed zijn. Dan gaat het niet om de worsteling van de importbruiden zoals Vogelaar die beschrijft, maar om in Nederland opgegroeide kinderen van migranten die hun eigen weg hebben gevonden, een opleiding hebben gevolgd, carrière maken en het liefst niet altijd maar op hun moslimzijn worden aangesproken. Zij zijn Nederlanders, met een geloof.

Het mooiste voorbeeld daarvan is het boek Hoe overleef ik Nederland? van de Marokkaans-Nederlandse Fati Benkaddour. Zij schreef een heldere en nuttige zelfhulpgids voor Marokkaanse jongeren, die werkelijk alles bespreekt, van discriminatie tot seks, zonder scrupules en zonder de achtergrond van Marokkaanse jongeren te veroordelen. Maar wel eerlijk: ‘Iedereen is seksueel! Je ouders zijn seksueel, je buurman, je vrienden. Ja, zelfs een imam is seksueel!’ Als dat geen integratie is.

Hirsi Ali is vol van haar eigen voorbeeld, haar bevrijding en de worsteling die daaraan voorafging. Na een laatste bezoek aan haar stervende vader in een Brits ziekenhuis ziet ze op straat gesluierde vrouwen en denkt ze: ‘We waren allemaal ver weg van de plek waar we waren geboren, maar ik was de enige die de cultuur van die plek had achtergelaten. Zij hadden hun web van waarden met zich meegenomen, de halve wereld over.’ Natuurlijk ís Hirsi Ali ook een voorbeeld. Alleen is het de vraag of zij met haar verkettering van de islam wel recht doet aan de dynamiek van de integratie. Niet elke vrouw die een hoofddoek draagt is onderdrukt. Het is vaak genoeg haar eigen beslissing.

Gelukkig is tussen de politieke kemphanen Hirsi Ali en Vogelaar nog iets anders te vinden: de praktijk. Zo zoemt journalist Renate van der Zee in op één migrantengezin. Een meisje voor dag en nacht is een boeiend en meeslepend geschreven inkijkje in een verborgen wereld. We kijken mee met de hoofdpersoon Ibtisam, een vrouw van Marokkaanse afkomst, nu agent bij een politiekorps in een grote stad. Van der Zee interviewde haar bijna vijftig keer. Ibtisam groeit op in een traditioneel migrantengezin waarin, alweer, de familie-eer afhankelijk is van de kuisheid van de meisjes. De jongens groeien er op als prinsjes die niet worden tegengesproken en ze zijn de baas in huis, waardoor de ouders volledig de greep verliezen als ze ouder worden. Voor Ibtisam heeft de geslotenheid van het gezin, de macht van de mannen en de nadruk op kuisheid noodlottige gevolgen. Ze wordt vanaf haar zesde jaar misbruikt door haar broer. Ze ziet geen enkele uitweg. De schaamte zit zo diep dat ze niemand in vertrouwen durft te nemen. Ze weet zeker dat zij dan de schuld zal krijgen.

Renate van der Zee snijdt hier een groot taboe aan – seksueel misbruik in migrantengezinnen. Het is een onderschat probleem, schrijft Van der Zee. Marokkaanse kinderen, vooral meisjes, lopen een risico. Allereerst doordat vaak grote gezinnen in kleine huizen wonen, soms nog met inwonende ooms en neven. Ontsnappen wordt dan lastig. Maar vooral omdat de slachtoffers zullen zwijgen. Een geschonden familie-eer is het ergste wat een traditionele migrantenfamilie kan overkomen.

Uiteindelijk, met veel moeite, vindt Ibtisam haar eigen weg. Ze trouwt tegen de wil van haar ouders met een Nederlandse man, maar weet een breuk met haar familie te voorkomen. Het seksueel misbruik komt pas later naar boven als ze zelf moeder is geworden. Dan zoekt ze hulp. Haar ouders vertelt ze niets.

Hirsi Ali en Vogelaar zien de integratie van moslims in Europa precies zoals zij dat willen zien. Zwart en wit. Er is geen plaats voor nuance. Van der Zee laat zien hoe verstikkend migrantengezinnen kunnen zijn, als de ouders zich vastklampen aan die mengeling van traditie, cultuur en religie en zo de ontwikkeling van hun kinderen bemoeilijken. Maar ze laat ook zien hoe glorieus die kinderen daar soms bovenuit kunnen stijgen. De politievrouw Ibtisam is uiteindelijk hét voorbeeld van succesvolle integratie. Zij had niets gekund met de denkbeelden van Vogelaar of Hirsi Ali.

Ayaan Hirsi Ali: Nomade. Augustus, 318 blz. €19,90

Ella Vogelaar:De verborgen kracht van migrantenvrouwen. Balans, 112 blz. € 9,95

Fati Benkaddour: Hoe overleef ik Nederland? Prometheus, 261 blz. €14,95

Renate van der Zee: Een meisje voor dag en nacht. De Geus, € 17,90