Het land zal ons breken

Richard Manning: Rewilding the West. Restoration in a Prairie Landscape. University of California Press, 230 blz. € 25,-

De mythologie van de prairie wordt nog steeds aangejaagd door cowboy- en natuurfilms. Het uitgestrekte grasgebied in het Amerikaanse Westen appelleert aan romantische noties van vrijheid en sentiment over een spirituele omgang met de natuur. Maar in werkelijkheid zijn de Great Plains, van de Missouri tot de Rocky Mountains, een bedreigd gebied: uitgeput door ranchers en boeren, in grote delen verpauperd en ontvolkt, en steeds meer een particulier hobbyland voor toeristen en beroemdheden die er grond en een eigen bizonkudde opkopen.

De journalist en naturalist Richard Manning maakt zich daar zorgen over en broedt op manieren om het land weer tot bloei te brengen. In zijn prachtige Grassland (1995), over de geschiedenis en ecologie van de Amerikaanse prairies, schetste hij al een indringend, bij vlagen beklemmend beeld van de barre natuurlijke omstandigheden die het gebied vrijwel ongeschikt maken voor menselijke ontwikkeling. In zijn nieuwe boek Rewilding the West zet hij zich nog grimmiger af tegen de economische experimenten die tot nu toe zijn geprobeerd op de prairie – veeteelt en landbouw – en die van meet af aan waren gedoemd te mislukken. De grootschalige veeteelt die in het cowboytijdperk, halverwege de 19de eeuw, van Texas tot Montana werd ingevoerd, zorgde ervoor dat grote delen van de toch al zwaar begraasde prairies werden kaalgevreten, en de concurrentie om voedsel en water werd beslecht in het voordeel van geïmporteerde slachtkoeien.

Dat leidde na jaren van droogte in 1886 tot een rampzalige sterfte onder het vee, de ‘Great Die-up’, die het einde betekende van de vette jaren voor de veehouderij op onbewoond land. Aan die open range kwam ook een eind door de komst van duizenden homesteaders, kleine boeren die conform het ideaal van de autarkische familieboerderij een perceel kregen toegewezen door de overheid. Maar ook die kleinschalige landbouw werd, in weerwil van de mythe van de zelfvoorzienende boer, een mislukking; het droge land, met een wortelstructuur die niet heel diep onder de grond gaat, was er simpelweg niet geschikt voor. De ploegen van de boeren werkten, net als het grazen van het vee, in hoog tempo mee aan de uitputting van de Plains, die culmineerde in de afschuwelijke zandstormen van de jaren dertig. Tijdens die ‘Dust Bowl’ van 1932 tot 1934 werden grote delen van de prairie letterlijk weggeblazen; de straten van Chicago, New York, Boston en zelfs het dek van schepen op de Atlantische Oceaan werden bedekt met lagen stof en aarde, weggeblazen uit Oklahoma, Texas en Montana. Duizenden boeren gingen failliet, gezinnen leefden weer in plaggenhutten onder omstandigheden die deden denken aan de vroegste dagen van de pioniers.

Met de New Deal van Roosevelt kreeg ook het getergde Westen een nieuwe kans. Herstel en bescherming van het oorspronkelijke grasland werd voor het eerst een politieke prioriteit en een nieuwe Grazing Act moest voorzien in verantwoord bodemgebruik door boeren en ranchers. Manning toont hoe die goede bedoelingen stukliepen op het opportunisme en de kortzichtigheid van agrarische ondernemers, die gretig uit de subsidieruif aten zonder zich te bekommeren om natuurbehoud. Het Westen werd intussen een ‘subsidieland’.

Het is een van de ironische paradoxen waar Manning graag de vinger op legt: het zelfbeeld van het, doorgaans fel Republikeinse, Westen is dat van een gebied van ruige individualisten die wars zijn van een bemoeizieke overheid. Maar het Westen is een ‘parasitaire’ welfare state die zonder constante hulp en toezicht van Washington in elkaar zou storten.

Zijn afkeer van modern particulier bezit, landbouw en veeteelt in het Westen maakt Manning overigens nog geen dweper met vroegere, ‘authentieke’ indiaanse culturen op de prairies. Ook de inheemse prairie-indianen, wier nomadische cultuur een recente creatie was van de interactie met opdringende kolonisten, geselden het land door het overbejagen van bevers en bizons. De huiden werden gebruikt voor industriële doeleinden in de fabrieken van het oosten van de VS. Zo werden de indiaanse stammen ingeschakeld, veelal in ruil voor alcohol, in de moderne economie.

Rewilding the West heeft zo een grimmige, soms zelfs misantropische toonzetting. Het land ‘zal ons breken’, zegt Manning over de vergeefse pogingen de prairies te exploiteren. Het onbelemmerde zicht over de eindeloze vlaktes geeft ons de illusie dat we ze ook kunnen beheersen.

Maar de auteur is geen klassieke natuurbeschermer die ervoor pleit het land met rust te laten. Integendeel, het land moet juist aan het werk gezet worden, maar op natuurlijke voorwaarden. Een ‘natuurlijk kapitalisme’, waarin het land proteïne levert voor menselijke consumptie, beredeneert hij, is verre te verkiezen boven de alternatieven van verwoestende landbouw enerzijds en elitaire natuurbescherming anderzijds. Zo zou bijvoorbeeld een gereguleerde commerciële jacht moeten worden toegestaan, bepleit Manning, in plaats van de verkwistende sportieve jacht en het afschieten van wild door de overheid.

Met zo'n realistische omgang met de prairies zou een begin kunnen worden gemaakt op het beoogde American Prairie Reserve, een uitgestrekt gebied langs de Missouri in Montana. Daar toont het land zich nog in al zijn ongenaakbaarheid. Manning schetst in zijn beschrijving hiervan een nobel ideaal. Maar je mag hopen dat er plek blijft voor de ecologisch bewuste toerist, die zelf geen dag zou overleven op de Plains, maar er wel, deemoedig, van weet te genieten.