Het etentje van Ayaan en Antoine

Tegen het einde van haar nieuwe boek Nomade is Ayaan Hirsi Ali naar Rome gereisd, waar ze in een restaurant ‘vlak achter het Vaticaan’ een afspraak heeft – nee, niet met de paus. Maar het scheelt weinig. Met Antoine Bodar.

Aan tafel snijdt de schrijfster het onderwerp aan waarvoor zij de bekende Nederlandse priester heeft uitgenodigd. „Europa”, zegt ze, „slaapwandelt zijn ondergang tegemoet, in plaats van de groei van de islam een halt toe te roepen”. Zou het niet verstandiger zijn als de christelijke kerken de concurrentie met Allah aangaan, „en overal katholieke scholen, ziekenhuizen en wijkcentra bouwen waarvan eenzelfde beschavende werking uit zou kunnen gaan als destijds in Afrika ten tijde van het kolonialisme?”. Want de christelijke kerk heeft de macht om moslims voor hun geloof te winnen en hen in Europa te kerstenen.

De reactie van Ayaans tafelgenoot kan niemand verrassen.

‘Antoine Bodar’, schrijft ze, ‘glom opgetogen. Dat was precies wat hij al jaren van de grond had proberen te krijgen, maar hij had slechts hoon en spot geoogst met zijn voorstellen.’

Wist u dat? Dat Antoine jarenlang het voorwerp van hoon en spot is geweest vanwege een briljant idee waarmee we dat hele multiculturele drama waarschijnlijk al lang geleden hadden opgelost?

„Christelijke leiders”, bepeinst Ayaan bij de koffie, „verspillen tijd en geld aan dialogen maar zouden hun inspanningen moeten richten op de bekering van zo veel mogelijk moslims tot het christendom, door hen bekend te maken met een God die de heilige oorlogen afwijst en uit liefde voor de mens Zijn zoon heeft gezonden om voor alle zondaars te sterven”.

Gut, die Ayaan.

Heeft niet juist de kerk van Rome, schrijft ze ook nog, ‘vanaf haar prille begin allerlei dwaalleren met succes bestreden?’

Eerder in het boek heeft ze een (lieve) brief aan haar overleden grootmoeder gepubliceerd, die stierf als gevangene van Allah en een Afrikaanse stam terwijl zij, Ayaan, naar het Westen ontkwam: naar wat oma de wereld van de ‘ongelovigen’ zou hebben genoemd. Maar voor alles wat ze in die wereld heeft waargenomen en ondervonden is ze diep dankbaar gebleven, dus tot slot schrijft ze dat ze nooit meer de stamboom of Allah zal dienen, en juist alles zal doen om haar medenomaden over te halen tot de gewoonten van de ongelovigen.

Het is een kras besluit, maar de kleindochter heeft dan ook het licht, of sterker nog: de Verlichting gezien, en in de wereld van de ongelovigen voelt ze zich alsof ze naar een geestelijk en intellectueel luilekkerland is geëmigreerd.

Er loopt hier en daar weliswaar nog een losse Rita Verdonk rond, en de regering van een rechtsstaat begint onmiddellijk te knibbelen op de beveilingskosten, en anders moet ze maar een ander ongelovig land uitkijken – maar als we ook Tariq Ramadan nog over de streep kunnen trekken, is het heilig vergeleken met de wereld van de islam, zeker als tegen die tijd ook alle moslims in Europa rooms zijn gemaakt.

„Overal katholieke scholen, ziekenhuizen en wijkcentra waarvan eenzelfde beschavende werking uit zou kunnen gaan als destijds in Afrika ten tijde van het kolonialisme.”

Het was de nachtmerrie van mijn vader. Ik weet ook wat hij zou terugschrijven als ik het hem vertelde.

‘Krijg je tegenwoordig wel of geen hostie als je homoseksueel bent? Zijn vrouwen goed genoeg geworden voor het Ambt, en als echtgenote van meneer pastoor? Of moeten priesters zich nog steeds behelpen met kleine jongetjes? Vindt de paus aids nog altijd minder erg dan het zondige condoom? Mag Huub Oosterhuis in de liturgie? Je begrijpt: als de antwoorden me niet bevallen, dan louter hoon en spot voor Antoine Bodar en – hoe heet die mevrouw precies? Verder alles goed? Je vader.’