Hang mij gerust boven de wc

Een groep New Yorkers stelt zijn woning beschikbaar voor kunstenaars en kunstkijkers.

Naast economisch voordeel geeft het kunst een extra laag: onbeschaamd voyeurisme.

. Jason Irwins weekeinde begint, paradoxaal genoeg, met opruimen. Hij sleept zijn matras naar het toch al bomvolle hok dat verstopt is achter een muurtje in de hal. Daar komt ook het rek te staan met zijn flanellen houthakkershemden – eigenlijk zijn hele kledingcollectie. Zijn schoenen, zijn scheerapparaat om de baard bij te houden en zijn vuile was smijt hij dan in een verhuisdoos, die op een hoekje van het matras eindigt.

Alles aan de kant? Dan verklaart hij de galerie voor geopend. Komt u maar.

Jason Irwins appartement is meer kunstgalerie dan huis. De New Yorker stelt zijn woning beschikbaar voor kunstenaars en kunstkijkers. Elk weekeinde opnieuw, desgewenst ook op andere dagen.

Irwin is niet langer een uitzondering. Op meerdere plekken in de stad stellen huiseigenaren hun privédomein beschikbaar voor kunst en geven daarvoor een grabbelton aan redenen – filosofisch, economisch of simpelweg pragmatisch – als verklaring. „Sommigen noemen het ongetwijfeld ‘hip’ of ‘een trend’ waaraan je wel mee zou moeten doen”, zegt Irwin, „maar voor mij is het eenvoudiger: ik heb een huis, mijn kunstenaarsvrienden kunnen nergens expositieruimte vinden en nu we elkaar helpen, hoeft niemand meer depressief te zijn”.

Irwins buurt Bushwick in stadsdeel Brooklyn is het epicentrum van de thuisgaleries. Het is een voormalige industriële wijk, per metro slecht bereikbaar, waar de wind de wandeling van het ene grauwe fabriekspand naar het andere spartaanse complex tot een bezoeking maakt.

Toeristen zie je hier niet; richtingaanwijzingen of naambordjes evenmin. Irwins galerie heet ‘Privateer’ (‘kaper’ in het Nederlands, evenzogoed een knipoog naar het privékarakter van de galerie) maar niet dat dit ergens staat. Het enige wat doet vermoeden dat hier thuisgaleries zitten, is een tekst in zwarte plakletters in de wit gesausde gang: „afterlife, funeral (continue)” staat er. „Overblijfsel van een expositie van mijn overburen”, is de beknopte uitleg.

Binnen lijkt Irwins toch al spartaans opgezette woning geheel overgegeven aan Luisa Kazanas die speciaal voor deze thuisgalerie de expositie I against I heeft samengesteld. Het zijn tekeningen en schilderijen (die al in het halletje net na de voordeur beginnen), houtsnijwerken aan de muur, en in het midden van de woonkamer witte gipsen bustes die met kronkelige stalen zwarte buizen aan elkaar verbonden zijn. Er is geen tv, geen bank, alleen in een hoek twee stoelen en een tafeltje waaraan Irwin shag rookt – een eigen galerie heeft voor in New York aangepakte rokers zo zijn voordelen.

Thuisexposities geven de kunst een extra laag: onbeschaamd voyeurisme. Waarom zijn er nauwelijks kasten? Hoezo heeft Irwin niet meer dan één bord, één mes, één vork? Wat zit er achter het douchegordijn? Naar de antwoorden blijft het gissen, behalve op die laatste vraag: een schildersezel, dozen vol verfspullen, kwasten. En op de wastafel niet meer dan gebruikte wierookstaafjes. „Ik durfde de badkamer niet bij deze expositie te betrekken”, zegt hij bescheiden. „Dat zou niet van respect getuigen.”

Maar kunstenares Kazanas zelf, die op de andere stoel zit, had daar geen probleem mee gehad. Met de kunstcrisis en de massaal omvallende galeries in haar achterhoofd is ze allang blij dat er ruimte en aandacht is voor haar werk. „Als verder niemand in New York hier expositieruimte voor me kan of wil vrijmaken, dan zeg ik: fuck it. Hang me boven de wc, daar voel ik me prima bij.”

Tegen een muur van het tweekamerappartement staat een twee meter hoge installatie van op elkaar gestapelde houten balken, met daarin gebeitelde teksten.

„to be angered by the fact of love

is to be angered by life

the past and future do not exist

don’t do anything you don’t have to do

hurry up and be born again”

En dan tientallen keren herhaald. Irwin kijkt er graag naar, zegt hij, na het douchen.

Niemand betaalt entree en slechts zelden wordt er iets gekocht. In tegenstelling tot de gevestigde galeries op Manhattan is dat hier ook niet de bedoeling. De op winst gerichte New Yorkse kunstmarkt is hier ver weg. „Hier is geen financiële druk voor kijkers. Het gaat om het ervaren en waarderen van de kunst. Dat is het: niks geen onderliggende gedachte.”

Voor zichzelf ziet hij eigenlijk alleen maar voordelen. Overdag werkt Irwin – net zoals de meeste andere thuisgaleristen dan wel weer tegen betaling – bij een kunstenaar van naam. Wanneer hij dan ’s avonds thuiskomt, wordt hij omgeven door de werken die hij zelf, elke maand opnieuw, samen met verschillende kunstenaars uitkiest. „Ik woon samen met de kunst en dat geeft een veel diepere band dan wanneer ik even door een museum of galerie heen cross.”

De 36-jarige lijdt naar eigen zeggen het liefst een afgeschermd leven, zonder al te veel inmenging van anderen. „Dat is helemaal niet paradoxaal. Behalve dat rommelhok daar achter”, daar waar zijn matras nu ligt, „is dit mijn huis niet. Dit is publieke ruimte.” Waarvoor hij toevallig 1.500 dollar aan huur (1.100 euro) betaalt.

Op dat snijvlak van woning en expositieruimte blijven wel misverstanden ontstaan. Want neem dat zakje M&M’s en die fles wijn. Kunst? „Dat wordt weleens gedacht, ja”, beaamt Irwin. Maar nee. „Alhoewel dat vormeloze keramieken object op mijn aanrecht”, hij weet zelf ook niet wat het is, „er prima voor kan doorgaan.”

M.m.v. Selma Seddik