Een scherp oog voor talent en de markt

Louis Paul Boon, Hugo Claus en Jeroen Brouwers: alle drie zaten ze ooit, even, in het fonds van uitgeverij Manteau. En alle drie kregen ze ruzie over geld met de vrouw die ‘literaire kwaliteit’ als enig criterium zei te hanteren.

Kevin Absillis: Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970). Meulenhoff/Manteau, 688 blz. € 34,95

Eigenlijk is Vechten tegen de bierkaai, de titel van Kevin Absillis’ studie over de Vlaamse uitgeefster Angèle Manteau, niet helemaal eerlijk gekozen. Want het is wáár dat zij haar werk zo heeft gekarakteriseerd, maar zij deed dat op een weinig representatief moment. ‘Ik geef het op’, schreef zij eind 1967 aan haar auteur en raadgever Karel Jonckheere. ‘Mocht ik weten welke tranquillisants ik kan innemen en tevens weten waar ik ze kopen kan, dan zou ik er misschien in slagen dit verleden weg te gommen, al was het maar tijdelijk om er bovenop te komen.’

Dat verleden beschreef ze in dezelfde brief als dat dertig jaar ‘vechten tegen de bierkaai’. Met die bierkaai doelde ze vooral op de dominantie van de Nederlandse literaire uitgeverijen. Ze schreef de brief nadat ze in een Nederlands tv-programma was vernederd. Ze was in een sequentie van nauwkeurig gekozen, hakkelende momenten in beeld gebracht.

Die uitbarsting van wanhoop strookt bepaald niet met de reputatie van Angèle Manteau (1911-2008), de vrouw die de geschiedenis inging als de ijzeren dame van de Vlaamse uitgeverij. Een vrouw met vijanden over wie met amper verholen leedvermaak werd geconstateerd dat zij de Vlaamse groten Boon en Claus weliswaar had laten debuteren, maar dat zij er niet in slaagde hen voor haar bedrijf te behouden. Ze is weggezet als geldwolf en leugenaar – het meest eloquent door haar oud-employé Jeroen Brouwers en het meest rancuneus door haar biografe Greta Seghers, die ook een roman aan haar ex- opdrachtgeefster wijdde.

De Vlaamse letterkundige Kevin Absillis begint zijn boek met een overzicht van verwensingen die uitgevers nu eenmaal altijd over zich heen krijgen (meestal van hun eigen auteurs) en probeert in het vervolg het handelen van Manteau nadrukkelijk te plaatsen in haar tijd. Het resultaat is een helder boek dat vriendelijk en begripvol is voor Manteau, overigens zonder een zachtmoedige vrouw van haar te maken. Vaak refereert hij aan haar als ‘zakenvrouw’, wat ook de hoedanigheid is waarin hij haar heeft geportretteerd: Vechten tegen de bierkaai is immers geen volledige biografie, maar een bedrijfsgeschiedenis. En het is de geschiedenis van een bijzonder talentvolle zakenvrouw, die als twintiger in de boekenwereld belandt, een succesvolle importboekhandel begint, uitgever wordt en dan vóór haar dertigste een kolossale zakelijke meevaller oogst: de bezetting van België en Nederland door de nazi’s.

De oorlog maakte een einde aan de constante stroom boeken uit Nederland, en stelde de Vlamingen in staat hun eigen markt te veroveren. Dat kwam goed uit, want juist in de eerste bezettingsjaren werd er heel veel gelezen. Manteau groeide als kool, slaagde er ook in om herdrukken te mogen maken van bijvoorbeeld werk van Elsschot – iets waar zijn Nederlandse uitgever niet meer toe in staat was. Het succes heeft haar het verwijt van collaboratie opgeleverd, maar volgens Absillis is dat niet terecht. Weliswaar moest Manteau voor alle boeken die zij uitgaf bij de bezetter toestemming (preciezer: papier) vragen, maar haar fonds bleef vooral breed. En uitgesproken streng waren de papierverstrekkers niet. Er verschenen bij Manteau boeken van auteurs die zich bij de bezetting prettig voelden, maar evenzeer het werk van Louis Paul Boon, dat zo anarchistisch, pessimistisch, socialistisch, seksueel en experimenteel was dat het volgens alle denkbare maatstaven ontaard moest zijn.

Boon was de eerste grote ontdekking van Manteau en hij was ook de grootste schrijver die zij kwijtspeelde. Dat gebeurde nadat zij in 1949 Boons manuscript De Kapellekensbaan weigerde. Absillis wijst er echter op dat Manteau’s weigering zo irrationeel niet was: tussen 1942 en 1946 had zij een grote hoeveelheid voorschotten in Boon geïnvesteerd. Het had geresulteerd in vier boeken, maar op alle vier leed ze verlies. En na de oorlog beleefde de uitgeverij zware tijden: er werd weinig gelezen en de Nederlandse concurrentie was ook weer terug.

Ook de 19-jarige Hugo Claus zou na zijn debuut meteen al weer vertrekken bij Manteau. Claus was bij de verschijning van De Metsiers een wonderkind, de schrijver die Vlaanderen de moderne literatuur in zou leiden. Hij hoorde ook bij de moderne tijd in de wijze waarop hij zichzelf verkocht: nadat hij had gekozen voor De Bezige Bij (wegens de moeder aller redenen: geld), probeerde hij zelfs onder zijn banden met Manteau uit te komen door zich – hondsbrutaal – te beroepen op het feit dat hij minderjarig was toen hij het contract voor De Metsiers tekende.

Het verlies van Boon en Claus was onvermijdelijk, al had Boon bij meer zakelijke durf wellicht voor Manteau behouden kunnen blijven: voor een literaire Vlaamse uitgeverij was het bijna onmogelijk op te boksen tegen de Nederlandse overheersing. Dat neemt niet weg dat Angèle Manteau haar uitgeverij tot 1970 op niveau wist te handhaven met een scherp oog voor de zich openende markt van moderne, pocket lezende jongeren. Het werk van Françoise Sagan (Bonjour tristesse) fungeerde jarenlang als zakelijk fundament en de vaak fraaie vormgeving van de boeken als belangrijk kenmerk.

Dat uiterlijk van Manteau’s boeken bracht de jonge schrijver Jeroen Brouwers ertoe in de jaren zestig zijn eerste roman naar Brussel te sturen – een Nederlander! Brouwers zou voor de uitgeverij gaan werken – en er ruzie krijgen. Die wordt beschreven in het laatste deel van Vechten tegen de bierkaai. Manteau fuseerde met het Haagse Van Goor en werd in 1970 op een zijspoor gerangeerd, het moment waarop Absillis’ studie eindigt. Later zou ze nog wel kort aan de top van de uitgeverij terugkeren.

Angèle Manteau heeft altijd volgehouden dat ‘literaire kwaliteit’ haar enige criterium was bij het uitgeven van boeken. Absillis laat zien dat daar wel wat op af te dingen valt, maar dat er een andere wijze was waarop Manteau zich onderscheidde. Dat is in de wijze waarop zij vanaf de jaren dertig haar fonds ‘breed’ hield, laveerde tussen katholieken, Vlaamsgezinden en socialisten. Haar verdienste is dus vooral dat haar uitgeverij al vooruitliep op de ontwikkeling die België in de 20ste eeuw zou doormaken: die van een ongelukkig gebied onder het juk van het katholicisme tot een moderne, Europese natie. Maar dat was niet genoeg om de Nederlandse concurrentie het hoofd te bieden.