Een hese woestijnstem

Als albino had de Malinese zanger Salif Keita in Afrika twee mogelijkheden: de misdaad in of muzikant worden. Hij koos voor de muziek, en met succes. Voor zijn laatste cd ontving hij in Frankrijk deze maand de ‘Victoire de la Musique’.

Salif Keita grinnikt van voldoening. Na jarenlang hard werken krijgt de van oorsprong Malinese zanger, bekend als de gouden stem van Afrika, officiële erkenning. Begin deze maand ontving hij voor zijn meest recente cd La différence een Victoire de la Musique, de Franse tegenhanger van de Grammy Awards. Hij telt het af op zijn vingers: „Veertig jaar actief in de muziek, vier keer genomineerd voor een Grammy. Nu is het gelukt.” Deze maand doet hij verschillende Nederlandse podia aan.

Je kunt niet zeggen dat Keita al die jaren onopgemerkt is gebleven. Sowieso is hij als albino een opvallende verschijning op het podium. Zijn hese stem, waar droge woestijnwinden doorheen lijken te waaien, leent zich bij uitstek voor emotioneel geladen repertoire. Sinds zijn internationale doorbraak in de jaren tachtig reist hij langs de wereldpodia en werkt hij samen met bekende musici als jazzrockbassist Joe Zawinul.

Keita hield zich vanaf het begin van zijn loopbaan bezig met wereldmuziek, lang voordat die term werd gelanceerd. Hij wilde onderwijzer worden maar dat zat er niet in omdat hij door zijn albinisme kampt met slechte ogen. Zijn aandoening leverde meer problemen op: „Het is een taboe in Afrika. Mensen snappen niet hoe een Afrikaan zo wit kan zijn. Er heerst een onuitroeibaar bijgeloof rond het verschijnsel. Kinderen zouden behekst zijn, werktuigen van de duivel. Zolang ik thuis woonde viel het mee, doordat mijn familie me kon beschermen, al waren er wel pesterijen. Maar in Bamako, de hoofdstad van Mali, had ik het moeilijker. Mensen mogen je niet en dat laten ze blijken. Als albino had ik twee opties, de misdaad in of muzikant worden. Ik koos voor het laatste.”

Dat zorgde voor een verwijdering tussen hem en zijn familie. Keita stamt af van de heerser die begin dertiende eeuw het Malinese rijk stichtte. Het beroep van zanger, dat voorbehouden is aan mensen uit één bepaalde kaste, was in de ogen van zijn familieleden ver beneden hun waardigheid. Keita zette door en ging in bars optreden, waarbij hij zijn zang op gitaar begeleidde. In 1970 werd hij opgemerkt door een lid van de Rail Band, het vaste ensemble van het hotel bij het treinstation in Bamako. Keita ging in op de uitnodiging om zich als zanger te voegen bij de groep, die Afrikaanse ritmes mengt met de rumba en andere populaire Caraïbische dansen. De Rail Band zet elektrische gitaar, bas, drums en een blazerssectie in naast traditionele instrumenten als de kora (een harpachtig instrument dat van oudsher bespeeld wordt door rondreizende barden in West Afrika) en de bala (een soort xylofoon).

Al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw zijn er wederzijdse invloeden tussen Afrikaanse en Caraïbische muziek. Dansen als de rumba en de calypso hebben hun wortels in de muziek die Afrikaanse slaven meebrachten naar Latijns-Amerika. Met de opkomst van de grammofoon en de radio werden ze populair in het continent van hun oorsprong.

Nieuw was het gemoderniseerde instrumentarium dat kwam overwaaien uit andere landen in de regio. In Ghana kwam de highlife op, een vitale stijl waarin gitaren met springerige hoge melodielijnen een hoofdrol spelen. Het maakte de Rail Band, die het gebruik van gitaren overnam van de Ghanese highlife, tot de meest prominente groep in Mali.

In 1973 stapte Keita over naar Les Ambassadeurs, een groep die vaak buiten Mali optrad en zich specialiseerde in highlife en andere moderne stijlen. Hij begon een solocarrière nadat hij en de gitarist Kante Manfila begin jaren tachtig de mogelijkheid kregen om in de Verenigde Staten twee albums op te nemen. Keita en Manfila kenden elkaar al van de Rail Band. Manfila bleef met Keita samenwerken, als vaste begeleider in concerten, maar ook als producer en arrangeur.

Keita’s doorbraak kwam in 1984 toen hij met veel succes optrad op het festival Musiques Métisses in het Franse Angoulême. Hij besloot zich in Frankrijk te vestigen. In zijn muziek bleef Keita trouw aan een fusie van stijlen. Door het gebruik van keyboards, die de gouden stem van de zanger met rijke klanken omgeven, werd het geluid meer westers. Basgitaar en blazers leken geplukt uit funk en soul. Maar de ritmes bleven West-Afrikaans. Keita bleef ook traditionele instrumenten inzetten, zoals de balafon en de n’goni, een tokkelinstrument met een droog timbre dat zich leent voor virtuoze solo’s.

Na de eeuwwisseling liet Keita een opnamestudio bouwen in Bamako waar hij niet alleen zijn eigen cd’s opnam maar waar ook andere Malinese musici terechtkonden. De traditionele instrumenten kwamen beter uit dan voorheen en hij leek terug te keren naar zijn Afrikaanse oorsprong.

Salif Keita: „Ik heb altijd Malinese muziek gemaakt en ik zing nog steeds bij voorkeur in mijn eigen taal. Maar mijn muziek heeft een akoestisch karakter gekregen, ik heb synthesizers en keyboards afgeschaft. Bamako heeft een andere atmosfeer dan de westerse steden waar ik vroeger mijn cd’s opnam en het is hier makkelijker om met traditionele musici te werken, ze hoeven niet naar Parijs te worden overgevlogen. Die musici leggen de grondlaag voor mijn cd’s en daar kan ik dan naar believen andere partijen aan toevoegen.”

In verschillende nummers op La différence is een opvallende rol weggelegd voor een strijkensemble. Door het unisono-spel sluipt een arabisch element in de muziek. Keita: „Er zijn altijd invloeden van buitenaf geweest. Dat wil ik laten horen. En ik vind het belangrijk dat mijn muziek een brug kan vormen tussen West- en Oost-Afrika. Ik luister naar verschillende muziek uit heel Afrika, dat hoor je terug op mijn cd’s.”

Keita leidt al jaren een organisatie die gericht is op de verbetering van de positie van albino’s in Afrika, maar op La différence spreekt hij zich voor het eerst nadrukkelijk uit over hun hachelijke status. In het titelnummer maakt hij duidelijk hoe onrechtvaardig ze bejegend worden. Hij wil het onderwerp breed onder de aandacht brengen. „Het gaat mij persoonlijk aan”, zegt hij. „Ik heb altijd gezongen over onderwerpen die me ter harte gaan. De onderlinge verdeeldheid van Afrikanen, of hoe we het milieu vergiftigen. Ik heb de mogelijkheid om belangrijke thema’s voor een groot publiek ter sprake te brengen, dus doe ik dat.”

Keita beseft dat de slechte behandeling van albino’s geen recent verschijnsel is. Met afschuw vertelt hij over de gruwelen die hem ter ore zijn gekomen: „Er zijn de laatste jaren zoveel mensen verminkt en vermoord alleen omdat ze albino waren. Van kinderen zijn handen en voeten afgezaagd. Puur uit bijgelovige angst. Het gebeurt in heel Afrika. Gelukkig besteden de media er steeds meer aandacht aan. En belangengroepen hebben er bij president Obama op aangedrongen druk uit te oefenen op Tanzania zodat daar een eind komt aan deze praktijken.”

Zelf wil hij de boodschap op een poëtische, indirecte manier overbrengen in zijn muziek: „Als je de mensen rechtstreeks met de feiten confronteert, haken ze af. Ik wil op hun gevoel spelen. Ze ervan doordringen dat verschillen tussen mensen geen problemen zouden mogen opleveren. Variatie maakt de wereld juist mooier. Ik ben zwart, maar mijn huid is wit. Ik ben allebei. Het verschil zit in me. Ik zou willen dat de wereld met al die verschillen één was. Zoals ik dat ben.”

Concerten Salif Keita: 22/3 Oosterpoort, Groningen; 23/3 Carré, Amsterdam; 24/3 Muziekcentrum Frits Philips, Eindhoven.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel over zanger Salif Keita, ‘Een hese woestijnstem’ (CS, 19 maart) staat dat Joe Zawinul een bassist is. De in 2007 overleden Zawinul was een toetsenspeler.