Doden nemen zelf hun kruisen mee

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, dit keer een stuk of wat gedichten van een Noorse appelteler

Eigenlijk past het heel goed bij het genre van het gedicht: dat je er maar één van hebt. Eén gedicht, van één dichter, op één pagina – en dat is het dan. Er is een dag geweest, eind 2008, waarop Olav H. Hauge in mijn leven kwam. Ik had nog nooit van hem gehoord en ik wist niets van hem, behalve dat hij een Noorse dichter was, en dat hij leefde van 1908 tot 1994. Hij kwam toen in mijn leven met één kort gedicht, van zes regels, opgenomen in de enorm dikke, 768 pagina’s tellende bloemlezing van 500 Gedichten die iedereen gelezen moet hebben van Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries. Daar stond het, te midden van honderden andere, voor het grootste deel erg lange, zich over meer dan één pagina uitstrekkende internationale topgedichten – een ultrakort betoog voor het ene sprekende beeld:

Kom niet met de hele waarheid,

kom niet met de zee voor mijn dorst,

kom niet met de hemel als ik om licht vraag,

maar kom met een glimp, met dauw, met een flinter,

zoals vogels druppels meedragen van hun bad

en de wind een korrel zout.

Wijs, en dichterlijk. Zo had ik het willen laten: Olav H. Hauge als de dichter van dit ene gedicht. Daarom heb ik heel lang niet in Het roestbruin van de hemelrand willen kijken. Dat boekje zou maar liefst acht gedichten van Hauge bevatten, in het Noors en in het Nederlands, voorzien van een korte inleiding, en een kort nawoord en een brief van de dichter, en ook nog eens van de partituur van opus 243 van de Noorse componist Geirr Tveitt (1908-1981): deze acht gedichten van Hauge op muziek gezet, zodat u ze thuis kunt nazingen (in het Noors dan).

Lezen? Het kon alleen maar tegenvallen, dacht ik, maar dat viel mee. Ik las dat Hauge zijn hele leven appelteler was geweest, in het dorpje waar hij ook geboren en getogen was. Hij had niet veel scholing genoten. Tussen het fruittelen door had hij zich zelf een paar vreemde talen eigen gemaakt, en was daarmee een zeer gewaardeerde poëzievertaler geworden, van Dickinson, Mallarmé en Brecht onder anderen. Daarom noemt men hem in Noorwegen wel ‘de Europeaan uit Ulvik’.

Ik weet zeker dat ik op grond van zeven van deze acht gedichten nooit een Hauge-fan zou zijn geworden. Bosverzen, plantenverzen, een paar muziekgedichten over een oude vedel, een citer, een wilgenfluit – niet veel bijzonders en allemaal veel te lang.

Maar daartussen staat één korte, van maar negen korte regels, die ik niet graag had willen missen. Dus nu is Hauge voor mij de dichter van twee gedichten. Het heet ‘Svarte krossar’, ‘Zwarte kruisen’, gezien in witte sneeuw (‘i kvite snjo’), op een begraafplaats. Hoe komen die kruisen hier? U en ik denken dat wel te weten, maar Hauge heeft iets anders gezien. De doden hebben ze zelf meegenomen toen ze hier naar toe kwamen, over de doornenvlakte, op hun schouders. En toen? Toen zetten ze ze neer, in de grond, ‘en gingen te ruste / onder hun bevroren heuveltjes.’ Ik weet genoeg. Zo ga ik het later ook doen.

Het roestbruin van de hemelrand. Gedichten van Olav H. Hauge op muziek van Geirr Tveitt. Vert. Erica Weeda. Uitg. Wilde aardbeien, 62 blz. € 7,50.