De schrik van Assepoester

In ‘La Cenerentola’ presenteert Rossini het Assepoestersprookje als een dagdroom. Een gesprek met regisseur Michiel Dijkema en met dirigent Trisdee na Patalung. „Van lelijk eendje naar prinses, daar droomt iedereen van.”

In het nieuwe Muziekkwartier Enschede loopt een groepje schoolkinderen met gids door de lege foyers. „Over een paar dagen is hier de première van de opera La Cenerentola van Rossini”, zegt de rondleider. „Wat jullie straks in de zaal gaan zien is de eerste OT – orkest en toneel – repetitie. Kijk, daar zit toevallig de regisseur! Maar die is nu totaal onbelangrijk, hoor. Het gaat om de dirigent, het orkest en de zangers, die nu voor het eerst bij elkaar komen.”

Regisseur Michiel Dijkema (35) kan slechts instemmen; zijn werk zit er inderdaad hoegenaamd op. De productie van Rossini’s ‘melodramma buffa’ La Cenerentola (Assepoester), vanaf morgen bij de Reisopera te zien op tournee door het land, maakte hij al vijf jaar geleden als inzending voor de European Opera Directors Prize en de Opera in Talinn. Dijkema voltooide na zijn conservatoriumstudie piano nog een opleiding muziektheaterregie aan de Hanns Eisler Academie in Berlijn. „Ik wist dat ik wilde regisseren. Maar hoe pak je dat aan? Met wat mazzel lukt het regieassistent te worden in de Duitse provincie, maar ik koos voor Berlijn. Een fantastische school, met belangrijke docenten en mogelijkheden om praktijkervaring op te doen. Maar daarna moet je ook nog aan werk zien te komen.” En het liefst niet als leraar Duits of muziek, maar gewoon als regisseur. Lachend: „Hoewel mijn ervaringen als leraar me wel hebben geleerd dat de groepsdynamiek in een schoolklas niet veel anders is dan in een operakoor.”

Op de honderd brieven die Dijkema rondstuurde aan intendanten van operahuizen, kwam één antwoord. Guus Mostart van de Reisopera bood hem een plaats in het Reisopera Resident Artists Program voor jong talent en bleef hem volgen; na Orfeo ed Euridice is La Cenerentola Dijkema’s tweede grote Nederlandse operaproductie. Met Jetske Mijnssen en Jim Lucassen maakt hem dat tot een van de schaarse succesvolle jonge Nederlandse operaregisseurs. „Ik verbaas me er wel eens over dat De Nederlandse Opera jonge zangers en componisten wel, maar jonge regisseurs eigenlijk geen kansen biedt”, zegt hij. „Het kan toch interessant zijn óók regietalent te ontdekken?`

In het theater stromen een voor een de musici van het Gelders Orkest binnen. Uit de bak klinken de eerste Rossiniaanse riedels, op de bühne oefenen Assepoester (Francesca Provvisionato) en haar boze stiefzusjes de passen van de openingsscène. Dirigent Trisdee na Patalung (24) is de jongste van allen. Hij kijkt gespannen toe. „Eh, hallo? Productieleider…? Het orkest zit klaar hoor!”

Trisdee Na Patalung is een ex-wonderkind, met bijbehorend bizarre biografie. Seizoen 2002/2003: Na Patalung (16) is assistent-dirigent van Mozarts Die Zauberflöte aan de opera in Bangkok én zingt de jongenssopraanrol van Dritter Knabe. Ook opvallend: zijn eigen composities, waaronder het op You Tube te beluisteren Eternity: een bombastisch aandoende kruising tussen westerse romantiek en Thaise volksmuziek, geschreven voor de crematieplechtigheid van een Thaise prinses.

Tussen opkomende muzieklanden in Azië als China, Korea en Japan is Thailand een blinde vlek, erkent Na Patalung. „Klassieke muziek is er relatief nieuw. Conservatoria zijn er niet en aan de muziekafdelingen van de universiteiten kan zeker nog veel verbeterd worden. Toen ik in Nederland voor het eerst iemand op een klavecimbel hoorde spelen en in de ban raakte van de oude muziek, heb ik mijn vader gesmeekt in Bangkok ook een klavecimbel voor me te kopen. ‘Je doet het niet voor mij, maar voor het hele land!’ Later ontdekte ik overigens dat er elders in Thailand nog wel twee oude klavecimbels te vinden waren, maar daar speelde niemand op. Zo was en is het ook met de dirigeercultuur. Niemand kan een Thaise dirigent noemen, omdat ze simpelweg niet bestaan. Ik ben de enige, ik ben autodidact.”

Via het netwerk van Hans Nieuwenhuis van de Opera Studio Nederland, een in Amsterdam gevestigde praktijkopleiding voor jong operatalent, belandde Trisdee na Patalung in Nederland. Hier leidde hij enkele kleinschalige producties, totdat hij vorige zomer met veel succes internationaal debuteerde op het – in de muziek van Rossini toonaangevende – Rossini Opera Festival in Pesaro. „Ik heb dirigeren zonder officiële opleiding nooit eng gevonden”, zegt hij. „Dus ook daar niet. De grootste uitdaging was om snel goed genoeg Italiaans te leren om met het Italiaanse, nauwelijks Engels sprekende orkest te kunnen communiceren!

„Een dirigent moet, denk ik, drie kwaliteiten hebben: leiderschap, muzikaliteit en techniek. Die eerste twee kun je sowieso niet van iemand leren. Voor de techniek heb ik veel gekeken naar dvd’s, cd’s geluisterd en partituren bestudeerd. En eenmaal actief in Europa, kon ik ook concerten en voorstellingen horen. Uit zelfstudie – analyseren en observeren – wellen dan vragen op die je aan experts kunt voorleggen. Als je daarna dan snapt hoe het zit, is dat besef dieper en waardevoller dan inzichten die iemand je op een conservatorium kant en klaar aandraagt. Althans, zo werkte het voor mij.”

Met hetzelfde vertrouwen beziet Na Patalung ook zijn eerste samenwerking met het Gelders Orkest. „Oké, ik heb nog nauwelijks met orkesten in Europa gewerkt. Het is dus aan mij om de musici te tonen dat ik de muziek ken, en dat ik het orkest op adequate en zinvolle manier kan leiden in twaalf voorstellingen van La Cenerentola. Als het een symfonisch programma met muziek van Alban Berg was, had ik geen idee. Zo’n aanbieding zou ik hebben afgeslagen, want in een beginnende carrière moet je geen rare risico’s nemen. Maar opera is mijn passie, en een genre waarin ik al heel lang – relatief dan – actief ben. En na mijn ervaring in Pesaro, voelt de muzikale taal van Rossini ook als vertrouwd terrein.”

La Cenerentola is niet Rossini’s bekendste opera, wel een van zijn beste. „Tegen de roem van Il Barbiere di Siviglia kan Cenerentola niet op, maar bij Rossini lopen faam en kwaliteit uiteen”, vindt regisseur Dijkema. „Ik heb pas toevallig Rossini’s Il Turco in Italia geregisseerd. Vrij onbekend, maar óók verbluffend goed.”

In de repetitie is men toe aan de ontmoetingsscène tussen Assepoester en de als knecht vermomde Prins Ramiro (Philippe Talbot), die als deus ex machina opduikt achter de deur.

Assepoester laat van schrik haar blad met theekopjes vallen, het Gelders Orkest schrikt dáár weer zo van dat het letterlijk van slag raakt. Assepoester: „Aj. Nu zijn de kopjes echt stuk, vrees ik.”

Dirigent Na Patalung: „Ik was er al een beetje bang voor.”

Rossini hield niet van tovenarij, en voor La Cenerentola ontdeed hij het Assepoestersprookje van Perrault van alle praktische onmogelijkheden. „Rossini presenteert het sprookje als dagdroom”, zegt Dijkema. „Cenerentola’s eerste aria is een dromerige ballade: Er was eens een koning….. Vervolgens begint het sprookje. En ten slotte zingt zij een aria die als het ware aanknoopt bij die ballade van het begin: alle sprookjespersonages zijn dan weer van het toneel verdwenen. Ik heb er lang over getwijfeld wat ik daarmee aanmoest. In operaregie heb je drie clichés waar ik van gruw: het schaakbord als zinnebeeld van machtsstrijd, een gekkenhuis als symbool voor de absurditeit van het leven en de droom als oplossing voor alles waar je geen oplossing voor weet. Bah! Maar in La Cenerentola heeft Rossini zelf voor die droomconstructie gekozen. En het wegdromen benadrukt ook Assepoesters tijdloze herkenbaarheid. Van lelijk eendje naar prinses – daar droomt iedereen van, niet voor niks gaat de helft van alle romantische Hollywoodfilms erover!”

Verder reikt de actualiteit in Dijkema’s regie niet. „Voor elke productie moet je opnieuw bepalen hoe je de thematiek van het werk en de bedoelingen van de regisseur zo goed mogelijk overbrengt op het publiek van nu”, vindt hij. „In die zin moet een operaproductie actueel zijn. Maar de mate van vrijheid die je je daarbij als regisseur mag veroorloven, is onderwerp van een ingewikkelde, eeuwig opvlammende discussie. Men heeft het dan vaak over trouw aan de partituur. Maar wat betekent dat, Werktreue? Gewoon doen wat er in het libretto staat is niet hetzelfde als ‘trouw’ zijn aan de bedoelingen van de componist, want de toeschouwer van nu is een andere dan in de tijd van Rossini.

„Iedere regisseur moet zijn grenzen steeds weer voor zichzelf bepalen. Esthetische trends in regie – de achterkant van het decor tonen bij voorbeeld – zeggen mij in elk geval niets. En ik vind ook niet dat je het leven van nu hoeft te tonen om een actuele voorstelling te brengen. Bertolt Brecht toonde al aan: een historische context helpt juist om actuele problematiek helder voor het voetlicht te brengen.”

Voor Trisdee na Patalung is Rossini als Mozart, vertelt hij. „Zal ik eerlijk zijn? Voor mijn ervaring in Pesaro had ik nog nooit Rossini gedirigeerd. Maar als pianist heb ik wel eindeloos zangers begeleid, en zangers zingen nu eenmaal altijd Rossini. Wat me dan opviel, en nu ook weer, is dat Mozart en Rossini het talent delen om met de eenvoudigste muzikale middelen de diepste dingen te zeggen. Zelfs grote dirigenten denken te vaak: Rossini, hoera, dat is champagne voor het hele orkest! En dan kiezen ze voor lekker sportieve tempi, in de hoop dat alles zo vanzelf wel gaat bruisen. Maar dat is niet zo. Deze muziek is behalve sprankelend ook intiem, melancholiek, diepzinnig. Timing is cruciaal. Als je de komische momenten niet strak in de hand houdt, ontspoort de hele opera en wordt het saai. De kunst is de gratie in Rossini naar boven te brengen.”

‘La Cenerentola’ van G. Rossini bij de Nat. Reisopera, van 20 maart t/m 17 april in 12 steden. Inl. www.reisopera.nl