De reus tegen de tuinstadkabouters

Na WO II moest Amsterdam aan ‘cityvorming’ doen; sloop, nieuwbouw, verkeersaders. Eén man, Jan Schaefer, gesteund door krakers en bewoners, wist die plannen te torpederen. Hij verdient een standbeeld.

Herman de Liagre Böhl: Amsterdam op de helling. De strijd om de stadsvernieuwing. Boom, 478 blz. € 35,-

Over het oude Londen heeft prins Charles eens gezegd dat stedenbouwers en architecten er na WO II meer schade hebben aangericht dan de Duitse Luftwaffe in de jaren 1939-1945. Met even veel recht kan hetzelfde worden beweerd over Amsterdam. De stad had de oorlog goed doorstaan. Weliswaar was hier en daar een bom gevallen en een vliegtuig neergestort, maar uiteindelijk was de stad het meest beschadigd door toedoen van de Amsterdammers zelf. In de Hongerwinter sloopten ze de lege huizen van weggevoerde joden om aan brandhout te komen. In de Jodenbuurt, het oostelijk deel van de oude binnenstad, gingen zo meer dan driehonderd huizen verloren.

Maar die oorlogsschade viel in het niet bij de kaalslag na de oorlog. Toen lieten de stedenbouwers een groot deel van de Jodenbuurt alsnog platgooien. De Weesperstraat en de Valkenburgerstraat werden een snelweg, die aan weerszijden grote kantoorgebouwen moest krijgen. Het Waterlooplein veranderde in een kale vlakte waar ten slotte in de jaren tachtig de Stopera kwam te staan.

De snelweg moest het begin worden van de ‘cityvorming’, het toverwoord van de naoorlogse stedenbouwers. Overtuigd door de dienst Stadsontwikkeling, geloofde ook het Amsterdamse gemeentebestuur dat de oude binnenstad niet geschikt was voor bewoning en een zakencentrum moest worden. De Haarlemmer Houttuinen gingen tegen de vlakte, evenals Kattenburg en Wittenburg, twee Jordaanachtige, 17de-eeuwse buurten op aangeplempte eilanden. Maar verder ging het stadsbestuur niet erg voortvarend te werk, mede doordat de bouw van de Westelijke Tuinsteden, de nieuwe buitenwijken bedoeld voor de op elkaar gepakte binnenstadbewoners, al genoeg geld en energie kostte.

In de loop van zijn voorbeeldige studie Amsterdam op de helling. De strijd om stadsvernieuwing doet historicus Herman de Liagre Böhl nog eens uit de doeken welke plannen Stadsontwikkeling zoal had met Amsterdam. Hij noemt ze niet eens allemaal, maar stuk voor stuk zouden ze nu ‘visionair’ worden genoemd. Zo maakte Stadsontwikkeling in de jaren zestig een plan voor de Jordaan, dat voorzag in sloop van het grootste deel van de nu zo geliefde woonwijk.

You ain’t seen nothing yet leek wel de lijfspreuk van Stadsontwikkeling: het ene plan was nog rigoureuzer en megalomaner dan het andere. Ook de 19de-eeuwse buurten zouden eraan moeten geloven. Voor de Pijp maakte de Zweeds-Amerikaanse stedenbouwkundige David A. Jokinen bijvoorbeeld een verkeersplan met de cynische titel Geef de stad een kans. ‘Door de Pijp zou een cityweg moeten komen, een verkeersweg die via een 6,5 meter hoog viaduct de buurt in zou komen’, schrijft De Liagre Böhl. De Albert Cuypstraat met zijn markt moest worden afgebroken. ‘Langs deze weg plande Jokinen veel parkeergelegenheid en een bebouwing die bij een moderne stad paste: kantoren, hotels, een congrescentrum en universiteitsgebouwen.’

Herman de Liagre Böhl, die in 1996 promoveerde op een biografie van de dichter Herman Gorter en nu docent politicologie is aan de Universiteit van Amsterdam, kwam op het idee om een boek over de stadsvernieuwing in Amsterdam te schrijven toen hij bezig was met een artikel over de burgemeestersperiode van Wim Polak (1977-1983). Hierbij begon het wethouderschap van Jan Schaefer hem te intrigeren, legt hij uit in de inleiding. Schaefer (1940-1994) werd in 1978 wethouder van Amsterdam met verschillende portefeuilles, waaronder stadsvernieuwing. Eerder was de PvdA’er Tweede Kamerlid en staatssecretaris van Volkshuisvesting geweest. Schaefer was zijn carrière begonnen als banketbakker en buurtactivist in De Pijp waar de bewoners zich keerden tegen de afbraakplannen voor de wijk.

De held van Amsterdam op de helling is dan ook Schaefer. Het boek laat zich lezen als een bewonderenswaardig en overtuigend pleidooi voor een groot standbeeld voor Jan Schaefer. De Liagre Böhl presenteert hem als de redder van Amsterdam, van even grote statuur als de legendarische wethouder Floor Wibaut.

Toen Schaefer aantrad als wethouder, was de stadsvernieuwing in het slop geraakt. Amsterdam was een stad in verval, met steeds minder inwoners want die trokken massaal naar ‘overloopgemeenten’ als Purmerend en Almere. De 19de-eeuwse wijken met hun revolutiebouw waren hard aan een opknapbeurt toe en de oude binnenstad zat vol gaten die vaak het gevolg waren van half uitgevoerde plannen.

Plannen waren er te over, maar die stuitten sinds de jaren zestig op steeds meer weerstand van buurtbewoners, monumentenzorgers en krakers. Even leek het of hun bezwaren tegen afbraak gehoor vonden. Een van de eerste dingen die de PvdA’er Han Lammers als wethouder deed in 1970 was de sloopplannen voor de Jordaan van tafel vegen. Maar in de loop van zijn wethouderschap raakte hij, onder invloed van zijn technocratische ambtenaren, toch weer in de ban van sloop en nieuwbouw. Ook Lammers begon te geloven dat de negentiende-eeuwse speculatiepanden het best konden worden afgebroken. Maar de weerstand daartegen werd steeds grotere, culminerend in veldslagen in de oude Nieuwmarktbuurt tussen krakers en politie in 1975.

In de eerste twee hoofdstukken van Amsterdam op de helling, over de stedenbouwkundige ontwikkeling van Amsterdam vanaf de oprichting van de stad, laat De Liagre Böhl zien waar de ambtenaren van Stadsontwikkeling hun ideeën vandaan hadden. Als erfgenamen van Cornelis van Eesteren, de pleitbezorger van de ‘functionele stad’ die in 1929 het hoofd van de nieuwe dienst Stadsontwikkeling werd, haatten ze de oude stad met zijn gesloten bouwblokken, traditionele straten en vermenging van wonen, werken en recreatie. Als kwaadaardige tuinstadkabouters gaven ze voor elke oude buurt dezelfde raad: breek af en maak er een tuinstad van. Als het aan hen had gelegen, was heel Amsterdam verworden tot een soort Bijlmermeer, de apotheose van functionalistische stedenbouw die omstreeks 1970 werd gebouwd.

Niet alleen de plannen van Stadsontwikkeling, maar vooral het hardnekkige geloof van de politici daarin maken Amsterdam op de helling tot een onthutsend boek: hoe is het mogelijk dat alle wethouders, inclusief Den Uyl, zo lang bleven vasthouden aan grootscheepse sloop van de oude stad? Jammer genoeg gaat De Liagre Böhl nauwelijks in op deze vraag. Vermoedelijk heeft het langdurige politieke geloof in sloop te maken met het heilige ontzag voor experts. Van Eesteren en zijn ambtenaren deden zich voor als wetenschappers die met statistieken in de hand bestuurders wisten te overtuigen van de juistheid van hun analyse. Niet toevallig deed Van Eesteren zijn werk altijd in een witte doktersjas, alsof hij een arts was die had vastgesteld dat de oude stad dodelijk ziek was.

Maar Schaefer geloofde niet in de diagnose van de dokters van Stadsontwikkeling. Hij hield van de oude stad, zo laat De Liagre Böhl zien in het hart van zijn boek. ‘Ik gelóóf in die stad’, zei Schaefer eens in een interview. ‘De afgelopen jaren is de stad toch als een afgeschreven product beschouwd. Iedereen moest naar de tuinsteden en de binnenstad moest ook een tuinstad worden, maar dat is onzin. Een stad betekent gewoon veel mensen op één kluit. Zo hoort het ook. Je kunt het Stedelijk Museum niet in de Kudelstaart zetten.’

Schaefer maakte een einde aan de patstelling in de stadsvernieuwing. Hij koos voor de buurtbewoners. ‘Bouwen voor de buurt’ werd het uitgangspunt voor vernieuwing. Er zouden vooral kleine woningen worden gebouwd voor de oudere bewoners en de jongeren die de 19de- eeuwse wijken waren gaan bevolken. En alleen als het niet anders kon, werd de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw. Hierbij was handhaving van het bestaande stratenpatroon het leidende beginsel.

Als machtspoliticus wist Schaefer ook dat steun van de buurtbewoners niet genoeg was om de stad te redden. Met een reorganisatie van het bestuur brak hij de macht van Stadsontwikkeling. Bovendien wist Schaefer, mede dankzij zijn goede Haagse connecties, de financiering van de grootscheepse stadsvernieuwing rond te krijgen. Zo ondergingen de stadsvernieuwingswijken in de acht jaar dat Schaefer wethouder was in Amsterdam een ware metamorfose. Van elke wijk laat De Liagre Böhl gedetailleerd zien hoe dat in zijn werk ging. Het zijn variaties op een thema. In de ene buurt waren het buurtverenigingen die in verzet kwamen en uiteindelijk werden betrokken bij stadsvernieuwing, in andere, zoals de Staatsliedenbuurt, speelden krakers de hoofdrol. Maar de uitkomst was steeds dezelfde, zo stelt De Liagre Böhl vast. Dankzij Schaefer kende het oude Amsterdam aan het einde van de 20ste eeuw geen achterbuurten meer.