Bloed om te blozen

Beeldend kunstenaar Oskar Kokoschka schreef vijf toneelstukken die in zijn tijd even aanstootgevend waren als zijn schilderijen. Een compilatie van zijn toneelwerk wordt vanaf volgende week opgevoerd in het Gemeentemuseum Den Haag.

Op 4 juli 1909 zorgt de 22-jarige student Oskar Kokoschka voor een schandaal in de gevestigde Weense kunstwereld. In een klein theater vlakbij de Kunstschau, een belangrijke expositieruimte, voeren jonge acteurs zijn toneelstuk Mörder, Hoffnung der Frauen op. De jonge schilder en toneelschrijver van Hongaars-Oostenrijkse afkomst noemt het stuk een ‘Drama-Komödie’. Kokoschka zelf ontwerpt het decor. Een naamloze Vrouw verleidt een Man met zinnen als: „Wie is deze vreemdeling die naar mij kijkt? Zijn opgekropte lust jaagt mij op als een beest.”

De scènes zijn seksueel geladen. Een koor, dat Kokoschka de Krijgers noemt, fluistert de vrouw waarschuwend toe: „Hij martelt dieren, hij wurgt merries met zijn dijen.” In diezelfde Kunstschau exposeerde Kokoschka in dat jaar zijn eerste werk. Wegens de gepijnigde portretten en zelfportretten die hij toonde, noemde het publiek deze ruimte ‘het griezelkabinet’.

De spelers van Mörder... waren schaars gehuld in vodden. Er was geen geld voor kostuums. Kokoschka beschilderde hun gezichten in de stijl van maskers van de Zuidzee-eilanden, zoals hij die kende uit het Weense museum voor etnische kunsten. Op hun armen en benen bracht hij met verf spieren, zenuwen en aderen aan. De muziek kwam van slagwerk, fluiten en cimbalen. Over Mörder... schreef hij: „Mijn stuk moet niet gelezen worden maar gespeeld, geleefd, het is een antidotum tegen de saaiheid van het theater.”

De Vrouw draagt een rode jurk, die de Man openscheurt. Ze wordt met zwarte kool gebrandmerkt, rode verf krijgt ze over zich heen. Onder de toeschouwers ontstaat tumult. Ze gaan de spelers te lijf. De politie herstelt de orde en Kokoschka, verantwoordelijk voor alle tumult, verwerft sindsdien de geuzennaam Bürgerschreck. Hij moet de Kunstgewerbeschule verlaten. De naam Oskar Kokoschka (1886-1980) is meteen gevestigd. Hij groeide uit tot een van de grootste expressionistische schilders van de twintigste eeuw, maar hij wilde niet ingedeeld worden bij een schilderkunstige stroming als het expressionisme of een groep als Der Blaue Reiter. Een bevriende dichter noemde hem een ‘Explosionist’. Daarin herkende hij zich. In zijn autobiografie Mein Leben (1971) verzet hij zich tegen academische classificaties. Hij schrijft: „Er zijn slechts jonge mensen die hun eigen weg in de wereld zoeken.” Kokoschka als ‘explosionist’ schilderde en schreef vijf toneelstukken tussen 1907 en 1972. Heftig, getourmenteerd, kleurrijk en vol beweging, zo is zijn oeuvre te kenschetsen.

Nu, zo goed als een eeuw na het schandaal, voert het experimentele toneelcollectief De Warme Winkel opnieuw Kokoschka’s toneelstukken op. Ze zijn, voor zover bekend, nooit eerder vertoond in Nederland. De Warme Winkel heeft er een compilatie van gemaakt en fragmenten samengevoegd tot één voorstelling. De groep werkt samen met acteur Marien Jongewaard van Nieuw West en spelers en muzikanten van de Leidse Veenfabriek. De voorstelling heet Kokoschka Live! Ze wordt niet in een schouwburg gespeeld maar in het Gemeentemuseum Den Haag. Museumdirecteur Benno Tempel is verantwoordelijk voor deze voorstelling in een ruimte in de linker vleugel, die De Schatkamers heet.

Terwijl bezoekers in het museum zich verdringen bij de tentoonstelling Kandinsky en Der Blaue Reiter repeteren acteurs als Marien Jongewaard, Jeroen De Man, Vincent Rietveld en Mara van Vlijmen voor Kokoschka Live! met als ondertitel Ode aan de extreme bevlogenheid van de Oostenrijkse kunstenaar. Componist, slagwerker en musicus Paul Koek van de Veenfabriek regisseert.

Bij zijn aanstelling in 2009 als directeur vatte Benno Tempel het plan op van het museum meer te maken ‘dan slechts een tentoonstellingsruimte die alleen overdag geopend is, en waar het ’s avonds verlaten is’. Eerder werkte Tempel bij de Kunsthal Rotterdam en als conservator bij het Van Gogh Museum. „Als net benoemd directeur zocht ik contact met De Warme Winkel, een gezelschap met flair. Hun voorstelling Kokoschka Live! past in hun reeks Öst’reich raus! over Oostenrijkse beroemdheden als Alma Mahler, Thomas Bernhard en Rainer Maria Rilke. Het Van Gogh nodigde eens Dansgroep Krisztina de Châtel uit een voorstelling te brengen over de schilder Egon Schiele. Ik kan me voorstellen om in het museum jazz te combineren met Mondriaan. Nu is hier Kandinsky en Der Blaue Reiter te zien, een expositie over de kunstenaarsgroep die aan het begin van de twintigste eeuw de kunstwereld op zijn kop zette met expressieve, lyrische schilderijen. Kunstenaars ontdeden zich van de oude wet dat schilderkunst realistisch moet zijn, de werkelijkheid moet nabootsen. Een schilderij werd een explosie van kleur en vorm. Niemand kijkt daar nu nog vreemd van op. Bij theater is dat anders. Toneel, zeker zoals De Warme Winkel dat brengt, zoekt de confrontatie met de toeschouwer. Net zoals Kokoschka destijds.”

Tempel: „Het is nauwelijks voorstelbaar hoeveel commotie het werk van schilders als Kandinsky, Kokoschka, Franz Marc en hun tijdgenoten veroorzaakte. Kokoschka deed in 1912 in München mee aan een tentoonstelling van Der Blaue Reiter. Zo is het idee ontstaan om Kokoschka nu met deze groep te verbinden. Ik vind alleen een tentoonstelling te weinig om recht te doen aan de veelzijdigheid van deze schildersbeweging, ik wil ook aandacht besteden aan de invloeden van theater en muziek. Met Kandinsky en Der Blaue Reiter vertellen we het verhaal van die vernieuwing, de bravoure, het scandaleuze.”

„Anders dan Die Brücke uit Dresden was Der Blaue Reiter geen mannenbeweging”, aldus Tempel. „Ook een schilderes als Gabriele Münter kreeg alle gelegenheid om zich naast Kandinsky of Marc te ontwikkelen.” Voor Tempel is de ‘stap van Der Blaue Reiter naar Kokoschka klein’. „Je zou hem de ‘Opperwilde’ van zijn tijd kunnen noemen. Het Gemeentemuseum heeft een schilderij van hem, Reuzenschildpadden, een duizelingwekkende, dramatische onderwaterwereld van vissen, schildpadden, waterkleuren, schelpen in kolkende lijnen”.

Om De Warme Winkel speelruimte te geven, heeft Tempel nkele muren laten wegbreken. Het Gemeentemuseum beschikt over een traditioneel auditorium, toch wil Tempel Kokoschka Live! in een museale context brengen. De brug tussen beeldende kunst en theater is geslagen. Tempel ziet het voor zich: „Acteurs die losgaan in de ruimte zoals de twintigste-eeuwse schilders losgingen op het doek.”

Voordat de toneeltoeschouwers naar Kokoschka Live! gaan, lopen ze langs de werken van de Blaue Reiter-schilders. Het is de bedoeling dat de bezoeker de herinnering aan kleuren en vormen van deze schilderijen, aan de portretten met gele gezichten, rode handen en bijna abstracte lichaamsvormen meeneemt naar de theaterzaal.

En daar wacht de schok.

Acteur Jeroen De Man, in 2002 een van de oprichters van de groep, noemt de stijl van De Warme Winkel „magisch macaber”. In de voorstelling Alma, over het turbulente liefdesleven van Alma Mahler met onder anderen Kokoschka, werd Alma getoond als een decadente vrouw, een mannenverslindster in het Wenen omstreeks 1900 vol seksuele onderdrukking. En in de voorstelling Rainer Maria werd de fijnzinnige, bijna vrouwelijke dichter Rilke opgesloten in een stalen kooi. Het was gruwelijk om te zien.

Tegen een zijmuur in De Schatkamers van het Gemeentemuseum staat een klein, houten toneel, voorzien van luiken en belicht door primitieve, meccano-achtige lampen. Actrice Mara van Vlijmen vertolkt in Moordenaar, Hoop der Vrouwen de Vrouw. Ze zit wijdbeens op het podium. Om haar heen staan muzikanten opgesteld met slagwerk, een melancholiek klinkend balgorgel uit 1800 en een clavinette, een snaarinstrument. Haar lichaam is besmeurd met rode verf. Net zoals in de Kunstschau van 1909 is het gezicht van de Vrouw kalkwit. Zwarte kringen rond haar holle ogen, felrode lippen. De muziek zwelt aan. Dan valt plotseling de stilte en zegt de actrice Kokoschka’s tekst: „Ik speel dus de Vrouw. Ik ben de Vrouw. Ik ben het morsige moeras van de voortplanting. Ik ben de natuur en ik sla terug met verschrikkelijke kracht. Ik zoog wolven en gazellen aan mijn borst. Ik ben allesverslindend. Ik ben het helse nachtlandschap van de droom. Ik houd iedere man met een slangachtige navelstreng aan het lijntje. Ik ben de oorsprong, ik ben de moederschoot, ik ben het graf.”

Zowel in zijn schilderijen, zijn theaterstukken als in zijn memoires varieert Kokoschka op het thema van zijn angst voor vrouwen. Als knaap werd hij bezocht door seksuele nachtmerries. „Een innerlijke stem kwelde me, alsof ik een kluizenaar was in de wildernis, met beelden van het vrouwelijke geslacht”, noteert hij in Mein Leben.

Mara van Vlijmen noemt Kokoschka een ‘man die voor 3.000 procent leeft’. „Wij brengen de lichaamshoudingen van zijn schilderijen over op het toneel. Ik verwring mijn schouders, trek mijn gezicht in hoekige expressie”. Het affiche dat Kokoschka destijds voor de wereldpremière van Mörder... ontwierp, is een sterk voorbeeld van zijn vroege werk vol erotische schrikbeelden. Magisch macaber, inderdaad. Zowel angstwekkend als fascinerend. Een hologige vrouw met krijtwit gelaat buigt zich over het gedeformeerde, bloedrode lichaam van een man; hij ligt op haar schoot. De verwijzing naar de religieuze piëta is duidelijk. De rode man als Christus; de vrouw als Maria. Maar Kokoschka’s beeltenis is schokkend. Dat geldt ook voor de litho’s en tekeningen die hij bij zijn toneelwerk maakte, zoals bij Mörder... Een tekening werd afgedrukt in het expressionistische tijdschrift Der Sturm. Die stelt een man met vierkante kop voor met een mes in zijn hand. Hij vertrapt een vrouw, doodt haar. Een voet staat op haar borst. Geen compassie, zoals op het affiche, maar brute agressie.

Regisseur Paul Koek is geboeid door de heftigheid van Kokoschka’s werk. „Alles wat de kunstenaars van die tijd ondernamen, was een combinatie van actie en passie.” Hij beschouwt Kokoschka Live! als „een palet van energie”. De composities die de handeling begeleiden verwijzen naar componisten die tijdgenoot zijn van Kokoschka, onder wie Paul Hindemith en Arnold Schönberg met zijn revolutionaire, atonale werk. Koek wijst erop dat het toneel dat zij gebruiken vergelijkbaar is met een podium dat zich bevond in Kokoschka’s atelier: hierop plaatste hij acteurs, actrices en modellen, arrangeerde hij scènes die hij vervolgens schilderde. Koek: „Overdag kunnen bezoekers dit podium met toneelgordijnen en negentiende-eeuwse belichting betreden. Doordat het in een museum staat, lijkt het een kunstwerk, een installatie.”

Van Vlijmen memoreert de beslissende rol van Alma Mahler in Kokoschka’s leven. Hun liaison duurde van 1912 tot 1914. Bij de eerste aanblik van Alma werd Kokoschka op bezeten wijze verliefd op haar. Zij gaf hem de opdracht een meesterwerk te schilderen, dan mocht hij haar trouwen. Dat werd Die Windsbraut (De bruid van de wind) uit 1914. Een man en vrouw zijn innig omstrengeld. De vrouw heeft een engelachtige, serene uitdrukking; de man ligt in verkrampte houding. Van Vlijmen: „Maar Alma weigerde een huwelijk. Uit verbittering ging Kokoschka als vrijwilliger in het Oostenrijks-Hongaarse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij raakte zwaar gewond, kreeg een kogel in zijn kop. Maar herstelde.”

Na de verschrikkingen van de oorlog wilde Kokoschka geen mensen meer zien. Om mentaal te genezen verzocht hij de Weense poppenmaakster Hermine Moos in 1918 een pop te maken die treffende gelijkenis vertoont met Alma. In talloze brieven geeft hij minutieuze aanwijzingen over het poppenlichaam, de textuur van de huid, het innerlijk van de pop, ook haar dijen, buik, lippen, spieren, haar vlees. Hij schrijft: „Ik vraag u de hals uit dezelfde donszachte stof te maken als de romp. Billen, borsten, venusheuvel, handpalm, wangen, neusvleugels, buitenkant dijen: licht roze met verfhout.” Zijn droombeeld moet ‘de soepelheid en zachtheid van een vrouwenhuid hebben’. Deze wanhopig-nauwgezette ‘Poppenbrieven’ vormen een essentieel onderdeel van de voorstelling. In biografieën over Kokoschka wordt volop gespeculeerd wat Kokoschka met deze fetisj heeft uitgevoerd. In elk geval heeft hij Alma-de-pop veelvuldig geschilderd.

Dan nog een tweede schok, zelfs bij een prille repetitie. Acteur Marien Jongewaard vertolkt Kokoschka, gekleed in het zwart. Hij leunt tegen een pilaar. Zijn handen en gezicht verstard. Hij spreekt tegen de pop. Hij durft haar niet aan te zien. Zacht fluisterend, temend en met iets van bangheid zegt hij: „Kom, kom dan, kom, je hebt toch wel bloed om te blozen? Ga maar liggen. Ik ben Oskar Kokoschka en de behoefte die mijn leven beheerst is de liefde.”

Opeens begint Jongewaard grimmig te schelden, zomaar, alsof Kokoschka’s vrouwenangsten naar buiten moeten komen: „Dramahoer, uitverkoophoer, tingeltangel-hoer. En als het offer is geschied, dan laat ik die vrouw zeggen: ‘Help, mijn krachteloosheid vloeit over in jouw kracht.’ ” Dit is wat Benno Tempel in het Gemeentemuseum met Kokoschka Live! wil: de onorthodoxe kracht van de explosie van honderd jaar geleden met toneel weer „tastbaar maken”.

‘Kokoschka Live!’ een co-productie van De Warme Winkel, Marien Jongewaard/ Nieuw West en Veenfabriek. Première 25/3, Gemeentemuseum Den Haag. T/m 25/4. Inl. www.kokoschka.nl.