Voor altijd scholstapelaar

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Mijn tijd in de haven was gedaan. Ik stond voor de laatste keer als scholstapelaar op de kade en keek naar een groep meeuwen die om een stuk vis vochten. Het liefst had ik met ze mee gekrijst om opluchting te geven aan mijn woede. Ik had er alle reden toe. In de tien jaar dat ik hier had gewerkt, was ik een onvermoeibare arbeider, deed altijd wat van mij werd gevraagd en had mij bijna nooit ziek gemeld. Desondanks werd ik aan de kant geschoven. Een extra klap in het gezicht was het voorstel van het hoofd personeelszaken, Dirk Steen. Hij dacht mij een plezier te doen door mij te vertellen dat ik zonder lastige controles in de WAO kon belanden. Ik was 32 jaar oud en voelde me allesbehalve ongeschikt voor arbeid.

„Als je slim bent ga je lekker van je WAO-centjes genieten in Turkije”, zei meneer Steen. Het was een ingestudeerd praatje dat hij tegen iedereen hield. Gelukkig voor hem werden er geen Nederlanders ontslagen die hij op één hoop kon gooien met Turken.

Thuis ging ik aan de keukentafel zitten en staarde in stilte naar de flakkerende waakvlam van de geiser. In mijn begintijd als scholstapelaar was ik bang dat ik nooit zou kunnen wennen aan de geur van dooie vis, de vroege werktijden en de ruwe havenmentaliteit. Maar ik raakte aan dit alles gehecht. Als ik aan het eind van een werkdag niet naar een bak schol rook, niet doodop was en niet een paar keer een vieze mop had gehoord, dan beschouwde ik de dag als verloren. Wie was ik nog zonder de haven? Daar had ik Jolanda ontmoet en daar leerde ik Kemal kennen. Het was ook de plek waar Mustapha en ik van jongens in mannen veranderden. Zonder de haven was ik niet geweest wie ik nu zou zijn. Ik was meer dan alleen mijn baan kwijt.

Om vier uur kwam Jolanda thuis. Ze wist dat dit mijn laatste werkdag was geweest en kwam naast mij zitten. Ze legde haar hoofd op mijn schouder en sloot zich aan bij mijn stilte. Na een tijd stond ze weer op en deed het keukenlicht aan.

„Zal ik wat lekkers voor je maken, Driss?”

„Nee, dank je wel, ik heb vanavond met Mustapha en Kemal afgesproken.”

Ik zocht Mustapha en Kemal op in het café in de haven. We zaten aan het tafeltje waar tien jaar geleden onze drie-eenheid was ontstaan. Deze keer waren we minder vrolijk dan toen. Mustapha en Kemal waren door hetzelfde lot getroffen als ik. Zij waren ook ontslagen.

Ontslag maakte mensen stil. We zeiden niets en dronken het ene biertje na het andere. Vijf rondjes waren er voor nodig om het zwijgen te doorbreken.

„Eigenlijk vind ik het wel best”, zei Kemal. „Ik wilde al langer een nieuwe bakkerij openen. Eentje die zes dagen in de week open is. Daar heb ik nu de tijd voor.”

„Ik heb hier niets meer te zoeken”, zei Mustapha. „Ik heb geen baan meer, ik ben nooit naar school geweest en heb hier geen gezin. Wat houdt me tegen om terug te gaan naar Marokko?”

„Zo moet je niet praten, abe”, zei Kemal. „Kom bij mij werken. Jij ook Driss. Komen jullie allebei bij mij werken.”

„Bedankt Kemal”. zei ik. „Maar ik moet deze tijd gebruiken om mijn leao-diploma te halen en om na te denken over de toekomst.”

„Ook al ontslaan ze me tienduizend keer, ik zal altijd een scholstapelaar blijven”, zei Mustapha.

We lieten een nieuw rondje aanrukken en toostten op Mustapha’s woorden. Na de eerste slok begon Kemal te neuriën. Het was het nummer Vissers van Capri van de Zangeres Zonder Naam.

We drukten elkaars schouders tegen elkaar aan en wiegden heen en weer terwijl we het nummer in koor neurieden.

Driss Tafersiti