Uitgestoken hand

In de Rotterdamse metro stapten bij station Rijnhaven drie Marokkaans-Nederlandse jongens van een jaar of vijftien, zestien naar binnen.

Waarom ik hun afkomst noem, zal uit het verdere verloop van de gebeurtenissen blijken. Het was halverwege de middag en stil in dit gedeelte van het treinstel.

Op sommige plaatsen staan in de Rotterdamse metrovoertuigen twee rijen stoelen tegenover elkaar met het middenpad als tussenruimte. Ik zat er als enige, de schaarse andere reizigers bevonden zich op zeker dertig meter afstand. De jongens marcheerden snel over het middenpad, voorop de jongen die later ook de leider bleek te zijn. Hij droeg een lichte bloes over zijn broek en had kortgeknipt haar.

Toen hij langs me liep, draaide hij zich plotseling naar mij toe en bood, zonder iets te zeggen, zijn geopende rechterhand aan – voor een hartelijke handdruk. Ik aarzelde een kort moment. Waarom zou ik zomaar een wildvreemde een hand geven? Bij een autochtoon zou ik het misschien ook niet hebben gedaan, maar bij een allochtoon denk je onwillekeurig: laat ik het maar doen, een weigering zal verkeerd worden uitgelegd. Ik stak dus ook maar mijn hand uit. Tevergeefs. Op het moment dat ik zijn hand wilde drukken, trok hij die terug en liep met een grijns op zijn gezicht door. Mijn hand greep in een vacuüm.

Dat viel tegen.

Tegelijk kletterde de paraplu die ik met mijn rechterhand op mijn schoot had vastgehouden, op de grond. Een van de twee jongens achter de leider raapte hem op en gaf hem zwijgend aan mij terug.

Dat viel mee.

De drie jongens gingen verderop bij een deur zitten, ik zag alleen nog hun benen. Bij het volgende station stapten ze uit, ik keek nog even naar de leider, hij naar mij. De portieren sloten zich al toen ik zag dat de leider zich op het perron bedacht en terugliep naar het treinstel waar ik zat.

Dat viel tegen.

Hij keek door het glas van de deur naar mij en probeerde de deur open te krijgen, terwijl de andere twee jongens zich achter hem opstelden. Het lukte niet. De deur bleef dicht en de trein vertrok.

Dat viel mee.

Ik had geen angst gevoeld, want ik had niet de indruk dat ze op een beroving uit waren, hooguit op een pesterij, maar de rest van de rit moest ik wel luisteren naar de luide, inwendige stemmen van mijn lastige alter ego’s – ik heb er, als zoveel mensen, meestal minstens twee.

Alter ego 1: „Zag je de symboliek van de situatie? Jij bent goed van vertrouwen, zij staan stijf van de argwaan. Zij voelen zich buitengesloten en ze sluiten nu óns buiten. Er gaapt een kloof en dat begint al bij de jongste generatie.”

Alter ego 2: „Symboliek? Schei uit! Je ziet spoken. Dit waren gewone kwajongens die flauwe geintjes met volwassenen uithaalden. Een soort belletje trekken. Volkomen onschuldig.”

Ten slotte riepen beide alter ego’s unisono: „Maar wat vond je er nou zelf van?” Die moderne rotvraag: de bal die je liever had willen ontlopen, wordt naar je teruggekaatst.

„Ik vond het niet leuk, maar ik geloof niet dat ik er slecht van zal slapen”, zei ik.

„Dan zoek je het ook maar verder zelf uit”, zei alter ego 1.

„In dit antwoord kan ik me wel vinden”, zei alter ego 2.

Toen gingen ze weer door met bakkeleien, maar ik heb niet meer naar ze geluisterd, want ik moest naar Amsterdam, die heerlijke stad.