Spanje vreest degradatie binnen Europa

Na langdurig isolement heeft Spanje in de jaren tachtig met veel enthousiasme de aansluiting gevonden bij de rest van Europa. Het werd een succesverhaal, twintig jaar lang. Maar de financiële crisis heeft het land in het defensief gedwongen. Het oude minderwaardigheidscomplex lijkt terug te keren.

Het had het semester moeten worden dat Spanje zou schitteren in Europa. Als roulerend voorzitter mag het land de Europese Unie op een cruciaal moment in haar geschiedenis voorzitten. Europa moet een eigen antwoord formuleren op de crisis, en het nieuwe Verdrag van Lissabon moet worden uitgewerkt in concrete bestuurlijke vernieuwing. Een succesvol EU-voorzitterschap, hoopte de regering van premier Zapatero, zou het land een morele oppepper opgeven.

Het liep anders. De Griekse schuldencrisis brak uit. Spanje, met Ierland het zwaarste slachtoffer binnen de eurozone van de kredietcrisis, kwam in het vizier van de internationale geldmarkten. Het land wordt aanhoudend vergeleken met Griekenland, nu een comfortabel begrotingsoverschot van enkele procenten in twee jaar tijd is omgeslagen in een tekort van 11,4 procent.

De crisis dringt Spanje in het defensief. Juist de afgelopen jaren, zegt Cristina Manzano, hoofdredacteur van de Spaanstalige editie van het tweemaandelijkse vakblad Foreign Policy, kreeg het land het idee dat de inhaalslag op de rest van Europa was afgerond.

„We dachten dat we in dezelfde divisie speelden als de rest. Op sommige economische variabelen haalden we misschien nog niet het Europees gemiddelde, maar dat compenseerden we dan wel op andere punten. Maar nu lijkt het minderwaardigheidscomplex waar we zo lang onder gebukt gingen, terug te keren.”

Dat Spaanse minderwaardigheidsgevoel gaat ver terug. Spanje kende na de ineenstorting van zijn wereldrijk een eeuwenlange periode van isolement en achterstand. Zowel buitenstaanders als Spanjaarden zelf beschouwden het land als fundamenteel ‘anders’. Na de Franco-dictatuur (tot 1975) liet het deze duistere periode razendsnel achter zich – mede met hulp van ‘Europa’. De ruim 200 miljard euro die Spanje sinds zijn toetreding in 1986 aan steunfondsen uit Brussel ontving, fungeerden de afgelopen kwart eeuw als een verlaat Marshallplan. Het EU-lidmaatschap zelf werd innig omarmd als extra waarborg voor de jonge democratie.

Spanje werd een voorbeeldige lidstaat. Het haalde de toelatingscriteria voor de euro zonder met de boekhouding te rommelen. Tijdens de vorige crisis hield Madrid zich netjes aan de regels van het Stabiliteits- en Groeipact, terwijl Berlijn en Parijs dat niet deden.

De afgelopen jaren groeide de economie bovendien bovengemiddeld hard. Het inkomen per hoofd van de bevolking kroop elk jaar dichter richting het Europees gemiddelde. In 2006 passeerde Spanje in dit opzicht Italië. Het leek slechts een kwestie van tijd voordat zelfs grote buur Frankrijk ingehaald zou worden.

De crisis werpt het land nu terug. De vastgoedzeepbel, samen met het toerisme een decennium lang dé motor van de economie, is uiteengespat. Ineens blijkt de snelle groei weinig duurzaam te zijn geweest. De werkloosheid is met bijna 20 procent veruit de hoogste van de eurozone. „Het land ontwaakt na jaren van feest met een fikse kater”, zegt econoom Ángel la Borda.

Veel Spanjaarden klagen dat hun land geen antwoord heeft op de crisis. Maar als buitenstaanders met zulke kritiek komen, reageren ze geprikkeld, zoals steeds in de geschiedenis. Helemaal wanneer wordt gesproken in termen als PIGS of Club Med, denigrerende verzamelnamen voor de mediterrane landen. Of als het aloude cliché van ‘mañana, mañana’ wordt aangehaald om uit te leggen waarom Spanje er zo lang over doet uit de crisis te komen.

Vooral de Angelsaksische zakenpers grossiert in badinerende omschrijvingen. „Buitenlandse bladen zijn geneigd ons wel erg stereotiep neer te zetten”, zegt José Ignacio Torreblanca, directeur van het Madrileense filiaal van de European Council on Foreign Relations (ECFR).

„Tot anderhalf jaar geleden noemden ze ons het economische wonder van Europa. Ze prezen de dynamische en open economie. Spaanse bedrijven waren de ‘Trojanen uit het zuiden’. We hadden de Europese structuurfondsen zo verstandig aangewend. En nu is dat ineens allemaal anders?”

Volgens Torreblanca moet de buitenwereld beter leren begrijpen dat de crisis in Spanje mede zo hard toeslaat, doordat de economieën in de periferie van Europa zich nu eenmaal onstuimiger ontwikkelen. „Als het met de EU goed gaat, gaat het met ons nog beter. Als het slecht gaat met de EU, gaat het hier nog slechter. Dit heeft niets met ons nationale karakter te maken. Je ziet hetzelfde in Estland, en niemand zal volhouden dat Spanjaarden veel gemeen hebben met Esten.”

Terecht of niet, de Spaanse regering moet rekening houden met de kritiek. Op de financiële markten is de nervositeit over de Spaanse economie en de staatsfinanciën de afgelopen maanden zeker niet afgenomen. Dit uit zich in een opgelopen rente op Spaanse staatsobligaties, uitgedrukt in het verschil (spread) met de rente op de meest betrouwbaar geachte schuldpapieren, de Duitse.

Torreblanca: „Het spel dat de regering nu moet spelen, is enerzijds hervormingen door te voeren teneinde de markten tevreden te houden. Dit om de kosten van de financiering van het tekort niet te hoog laten oplopen. Aan de andere kant kan ze het tekort ook weer niet zo drastisch terugdringen dat ze er binnenlands meteen een enorme politieke prijs voor betaalt.”

Tot nu toe slaagt de regering slecht in deze evenwichtsoefening. Begin dit jaar kondigde ze haastig maatregelen aan om het tekort in 2013 onder de 3 procent te krijgen, zoals Brussel eist. Vervolgens deed ze alleen halfslachtig pogingen om steun te vinden voor de impopulaire ingrepen (50 miljard euro bezuinigen, verhoging van de pensioenleeftijd, hervorming van de arbeidsmarkt). De buitenwereld blijft daarom wantrouwend.

De speelruimte voor de regering is echter beperkt. In de jaren tachtig en negentig bestond in Spanje breed politiek draagvlak voor ingrijpende maatregelen. Ze golden destijds als noodzakelijk, eerst om bij de EU en later om bij de eurozone te kunnen horen. Bovendien stond er een beloning tegenover, in de vorm van Europese steunfondsen. Sinds de uitbreidingen van 2004 en 2007 is de geldstroom uit Brussel echter geleidelijk afgebogen richting Oost-Europa.

Bovendien is het politieke klimaat begin deze eeuw sterk gepolariseerd geraakt. De centrumrechtse oppositie is er weinig aan gelegen de centrum-linkse regering te helpen bij een aanpak van de crisis. Op links verzetten de vakbonden zich. „De regering is niet werkelijk bereid in eigen land de politieke kosten van deze crisis op zich te nemen”, stelt Cristina Manzano van Foreign Policy.

Wel probeert de regering-Zapatero om een prominente EU-voorzitter te zijn. Manzano: „We hebben verscheidene acties, uitlatingen, kleine veldslaagjes, of pogingen daartoe gezien om er alsnog een traditioneel Europees presidentschap van te maken.” Zij verklaart dit uit binnenlandse politieke motieven. „Een mislukte poging om het roulerende EU-voorzitterschap te gebruiken om het verloren terrein in de afgelopen maanden van de crisis goed te maken, om Zapatero als internationaal leider te profileren.”

Met deze crisis kan ook de verhouding tot Europa een nieuwe fase ingaan. Het pro-Europa sentiment in Spanje, legt Torreblanca uit, „is altijd intuïtief en weinig geïnformeerd geweest”. Zo zei in 2005 een grote meerderheid ‘ja’ tegen de (later gesneuvelde) Europese Grondwet, ofschoon maar weinig mensen de tekst kenden. Dat was echter uit een afgewogen, rationele desinteresse, zegt hij. „Mensen verzamelen geen informatie over iets dat hen niet sterk raakt. Als jouw land elk jaar zes miljard van Brussel krijgt, is díe informatie op zich al genoeg.”

Nu de Europese geldstroom langzaam opdroogt en er onder druk van Brussel ingrijpende maatregelen moeten volgen, zal deze houding waarschijnlijk geleidelijk aan kritischer worden. Torreblanca: „Maar Spanje is nog heel ver verwijderd van betogingen zoals we die zagen in de straten van Athene, waarbij Europese vlaggen werden verbrand.”