Schoonmaker is angst voorbij en staakt door

Schoonmakers van treinen, stations en kantoren zijn al vier weken in staking.

Werkgevers beconcurreren elkaar hevig, wat een nieuw cao-akkoord bemoeilijkt.

Duizenden treinreizigers banen zich woensdagmiddag een weg naar de perrons over de met verscheurde kranten bezaaide vloer van het Centraal Station in Utrecht.

„Het is één grote puinhoop hier!”, roept een vrouw geërgerd in haar mobiele telefoon. Andere passanten kijken geamuseerd en nieuwsgierig naar een hoek van de aankomsthal, waar vrolijke muziek klinkt. Hier staan, zitten en dansen ruim vierhonderd stakende schoonmakers in oranje hesjes van vakbond FNV Bondgenoten. Hun ‘sit-in’ duurt al sinds dinsdagmiddag vier uur. Een flink deel van de stakers bracht zelfs de nacht door op het station. „We zijn moe van het staken en daarom zijn we gaan zitten”, zegt schoonmaker Oguz Ustun ter verklaring.

Ustun voert, net als bijna 80 procent van zijn collega-treinschoonmakers, al maanden actie voor betere arbeidsvoorwaarden. Wat begon met een aantal ludieke en publieksvriendelijke acties is uitgelopen op een staking die inmiddels al vier weken duurt. Behalve zo’n 250 trein- en stationschoonmakers uit het hele land staken nu ook de schoonmakers van de kantoorpanden van onder andere uitkeringsinstantie UWV, Reed Elsevier, verzekeraar Achmea, Schiphol, de Erasmus Universiteit en de Belastingdienst. Het resultaat van die stakingsgolf wordt steeds zichtbaarder. Hoewel de NS af en toe eigen personeel inzet om de ergste rommel op te ruimen, vervuilen stations en treinen zienderogen.

Het gaat de schoonmakers niet alleen om een loonsverhoging van 3 procent en een fatsoenlijke reiskostenvergoeding. Ze eisen ook scholing, respect en een verlaging van de hoge werkdruk. „Toen ik zes jaar geleden begon met het schoonmaken van treinen, werkten we met een team van zestien man. Nu zijn we met zeven en moeten we hetzelfde werk doen. Soms maken we zelfs nog méér treinen schoon dan vroeger. Dat is niet te doen”, zegt Kapi Lijfrock.

Ook voor Ustun is de werkdruk hoog. „Ik maak ’s nachts treinen schoon, dat is zwaar als je drie kleine kinderen hebt.”

Ustun verdient ongeveer 1.200 euro per maand met zijn fulltimebaan, net als zijn collega Omer Keten. Terwijl ze samen kijken naar een spontane polonaise van hun medestakers vertelt Keten dat hij aanvankelijk veel twijfels had bij een staking. „Wij schoonmakers zijn meestal onzichtbaar. We doen ons werk en klagen niet.”

„We waren bang om actie te voeren”, vult Ustun aan. „Ik ken veel schoonmakers die bedreigd zijn door hun werkgevers. Ik ben ook onder druk gezet. Je bent toch bang om je baan kwijt te raken.”

Maar inmiddels zijn Ustun en Keten de angst voorbij. „We gaan door totdat er een fatsoenlijke cao ligt”, zegt Keten strijdlustig.

Hun hoop is woensdagmiddag gevestigd op de vakbondsbestuurders. Die werden dinsdagavond voor het eerst in weken officieel uitgenodigd voor een overleg op woensdagmiddag met werkgeversorganisatie OSB, de overkoepelende organisatie van werkgevers in de schoonmaakbranche.

Het gaat moeizaam, meldt een van de bestuurders aan het eind van de middag. En even later is ook dit overleg mislukt, tot grote frustratie van vakbondsbestuurder Ron Meyer van FNV Bondgenoten. Hij had al eerder aangekondigd dat de acties door zullen gaan totdat een „fatsoenlijk akkoord” is bereikt.

Dat akkoord lijkt niet binnen handbereik. Een complicerende factor bij de onderhandelingen is de moordende concurrentie tussen de schoonmaakbedrijven, oftewel de werkgevers van de schoonmakers. Klanten zoals NedTrain, het onderhoudsbedrijf van de NS en Schiphol, willen zo min mogelijk betalen voor de schoonmaak van treinen, stations en vertrekhallen. „We houden elkaar in een wurgende greep”, lichtte Anton Witte, directeur personeelszaken bij schoonmaakbedrijf Asito, onlangs toe tijdens een hoorzitting over het cao-conflict in de Tweede Kamer. „En wij willen ook overleven.”

Overleven. Dat is wat schoonmakers Ustun en Keten elke dag doen als ze voor nog geen tien euro per uur in ploegendienst treinen schoonmaken. „Een vriend van mij heeft een uitkering en krijgt huursubsidie”, zegt Ustun. „Hij houdt meer over dan ik. Ik werk keihard en kan amper mijn gezin onderhouden. Dat is zuur.”