Politie krijgt vaak wel 250 tips

Elk jaar worden 16.000 mensen opgegeven als vermist. Veruit de meesten zijn binnen 24 uur weer terecht. De zaak-Milly is uitzonderlijk.

De 13-jarige Richele is nog steeds zoek. Op 25 februari opgegeven als vermist, en niet gevonden. Hetzelfde geldt voor de 10-jarige Bobbie-Lee uit Soesterberg. Vermist en spoorloos sinds november vorig jaar. Uitvoerig politieonderzoek en internationale signalering leverden niets op.

Richele en Bobby-Lee horen tot de groep van 16.000 personen die jaarlijks bij de politie als vermist worden opgegeven. Meestal is het loos alarm. Jaarlijks blijven zo’n 15 van hen geregistreerd als langdurig vermist, slechts 700 mensen blijven langer dan drie weken zoek.

Het drama rond Milly Boele in Dordrecht, het vermiste meisje van twaalf dat vermoord in de tuin van een buurman werd gevonden, is een hoge uitzondering, zegt een woordvoerder van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), waarbij vermissingen landelijk worden geregistreerd. Ook vermiste kinderen zijn na aangifte meestal snel weer gevonden. In de categorie 10 tot 14 jaar is 83 procent binnen 24 uur weer terecht, voor de groep 15 tot 16-jarigen is dat 64 procent. „Meestal weglopers”, aldus de woordvoerder.

Het grote aantal aangiftes van vermissing maakt het voor de politie moeilijk om in te schatten wanneer grootschalig onderzoek moet worden opgestart. Na de aangifte van de verdwijning van Milly Boele, op woensdagavond, gebeurde dat in de nacht van woensdag op donderdag, maakte hoofdofficier van justitie P. van de Beek gisteren bekend. Een etmaal na de aangifte werd het publiek ingeschakeld via ‘Amber Alert’ en werd met een helikopter de omgeving verkend.

Rechercheurs deden buurtonderzoek en ondervroegen met name mannelijke buurtbewoners, onder wie politieagent Sander V., de huidige verdachte. Toen gingen er geen alarmbellen rinkelen.

„Op basis van de huidige informatie is nauwelijks te beoordelen of er inschattingsfouten zijn gemaakt”, zegt rechtspsycholoog Robert Horselenberg van de Universiteit Maastricht. „De hoeveelheid informatie die op de politie afkomt, zeker als het publiek is ingeschakeld, is enorm groot. Zo’n zaak begint met aangifte, maar krijgt pas een grootschalig karakter als er bijvoorbeeld dwingende aanwijzingen van ontvoering zijn.”

Het laatste levensteken van Milly was de mededeling aan haar moeder over de telefoon dat ze moest ophangen omdat „een buurman voor de deur stond”. Harde aanwijzingen dat in deze zaak sprake was van ontvoering en niet van een ‘gewone’ wegloper, waren er in de eerste dagen van het onderzoek niet, maakte Van de Beek gisteren duidelijk. „We wilden nadrukkelijk ook rekening houden met een gewone vermissing. Er waren aanwijzingen dat er niet per se buren bij betrokken waren.”

Zo’n hoeveelheid aanwijzingen maakt een dergelijk onderzoek complex, aldus Horselenberg. „In korte tijd komen 250 publiekstips binnen, die allemaal nagetrokken en gewogen moeten worden. Expertise over hoe je dat soort tips moet inschatten, is er nauwelijks. Opsporingsstrategieën na aangifte van vermissing zijn ook niet of nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Daar is onvoldoende ervaring mee.”

De verdwijning, in 2005, van de 31-jarige Claudia Harteveld en haar twee dochters uit Zoetermeer is zo’n voorbeeld van complex opsporingsonderzoek. De vader, die in de buurt bekendstond als een voorbeeldig echtgenoot, deed in april van dat jaar aangifte van vermissing. Maar de politie stond voor raadsels, ondanks honderden tips. Vader en moeder waren zeven jaar getrouwd, van huwelijksproblemen was niets bekend. Pas later bleek dat de vader zelf zijn gezin had vermoord. Volgens Horselenberg liep hij mede tegen de lamp doordat hij nauwelijks medewerking verleende aan het opsporingsonderzoek.

Zodra er na aangifte van vermissing vermoedens zijn van ernstige feiten, volgt vergroting van het onderzoeksteam en wordt het Landelijk Bureau Vermiste personen van het KLPD ingeschakeld. Elk regiokorps heeft een eigen coördinator vermiste personen, die contact onderhoudt met het landelijk bureau. Dat schakelt Amber Alert in, en doet, indien gewenst, een verzoek om internationale signalering.

In het onderzoek naar de verdwijning van Milly Boele is dat contact er ook geweest. Op verzoek van het regiokorps Zuid-Holland-Zuid werd aanvankelijk gewacht met inschakeling van Amber Alert. „Dat kan te maken hebben met de wens van de onderzoekers om eerst de eigen recherche-informatie te verwerken”, aldus de KLPD-woordvoerder. „Maar dat is een afweging die verder regionaal gemaakt wordt.”