Noord-Brabant bezint zich op megastallen

Noord-Brabant wilde steeds grotere veehouderijen. Maar nu risico’s voor de volksgezondheid blijken, staat dat ter discussie. Morgen moet het provinciebestuur kiezen.

Toen Sonja Borsboom namens 33.324 ondertekenaars een petitie tegen megastallen aanbood aan de provincie Noord-Brabant, voorzag niemand dat die veel teweeg zou brengen. Boeren vermoedden niet dat een discussie over intensieve veehouderij hun broodwinning zou gaan bedreigen. Tot dan toe stevende de provincie vastberaden af op de komst van meer dieren en grotere stallen.

Na de varkenspest eind jaren negentig besloot de provincie haar platteland anders in te richten. Dieren zouden niet meer worden gehouden tussen mens en natuur. Grote veehouderijen moesten, afgelegen, op een soort agrarische industrieterreinen bij elkaar komen te liggen. Niets leek de provincie van haar koers af te kunnen brengen.

Maar nu, acht maanden nadat Borsboom met haar petitie begon, staat de toekomst van de veehouderij in heel Nederland op het spel. Morgen debatteren de Provinciale Staten van Noord-Brabant over de petitie tegen megastallen. „De uitkomsten gaan een stempel drukken op ontwikkelingen in de rest van het land”, zegt de Brabantse commissaris van de koningin Wim van de Donk. Hij spreekt van een „icoondossier”.

Wat gebeurde er in de maanden sinds juli 2009? Waarom werkte de tijd in het voordeel van de actievoerders?

Tegenstanders van megastallen zijn er altijd al geweest. Provincie en boeren konden hun weerwoord bieden. Zijn megastallen lelijk in het landschap? Dan zetten we er toch een rij bomen omheen. Zorgen megastallen voor extra uitstoot van ammoniak en fijnstof? Dan monteren we er toch dure luchtwassers in.

Tot eind vorig jaar. Toen werd de Q-koortsepidemie groot nieuws. Die wierp vragen op die zich minder makkelijk laten beantwoorden. Q-koorts legde bloot dat er belangentegenstellingen zijn tussen de ministeries van Landbouw en van Volksgezondheid. Q-koorts maakte zichtbaar dat dierziekten ook op mensen kunnen overspringen. Q-koorts liet zien dat grote concentraties dieren in een dichtbevolkt land als Nederland een gevaar voor de volksgezondheid met zich meebrengen.

Het is niet de vraag óf er nieuwe dierziektes uitbreken, zeggen diverse deskundigen, maar wanneer en hoe ernstig. Dat zegt arts-microbioloog Kees Verduin van de stichting PAMM (laboratoria voor pathologie en medische microbiologie). Dat zegt dierenarts Jan Flameling uit Steenbergen. Dat zegt bestuurder Jos van de Sande van GGD Hart voor Brabant.

Q-koorts is niet de eerste epidemie, zeggen ze. De afgelopen vijftien jaar kreeg Nederland te maken met meer dierziektes: varkenspest, mond-en-klauwzeer, gekkekoeienziekte, vogelpest. Onlangs kwam een nieuw, aan de veehouderij gerelateerd, gezondheidsrisico aan het licht. Veel vee, maar ook veehouders en slachthuismedewerkers, is besmet met de MRSA-bacil. Deze ‘ziekenhuisbacterie’ vormt een gevaar voor verzwakte patiënten in ziekenhuizen.

Arts-microbioloog Verduin: „Het kan toch niet zo zijn dat we incalculeren dat een bedrijfstak zulke gezondheidsrisico’s met zich meebrengt.”

Hendrik Hoeksema, PvdA-wethouder in Oss: „Accepteren we ziektes als consequentie van de intensieve veehouderij in Nederland?”

Daar zitten ze dan morgen, de Statenleden op wier schouders de toekomst van de intensieve veehouderij rust. Zij vertegenwoordigen 2,5 miljoen mensen in een provincie waar 32 miljoen dieren worden gehouden. Zij realiseren zich dat Noord-Brabant 13.300 agrarische bedrijven telt, die werk bieden aan 45.000 mensen. Zij beseffen dat 64 procent van het Brabantse land in handen is van boeren en dat directe en indirecte agrarische activiteiten samen goed zijn voor 7 miljard euro, 10 procent van het bruto regionaal product.

De agrarische bedrijfstak maakte de provincie tot wat ze nu is, weten ze. Van lokale bestuurders als wethouder Eric van den Dungen (VVD), van Haaren bij Den Bosch, hoorden ze dat de helft van de 3.000 intensieve veehouders in de provincie moet stoppen als zij kiezen voor stallen die maximaal 1,5 hectare beslaan.

Van den Dungen (VVD) schetst de gevolgen. Grote boeren zullen wegtrekken naar Oost-Europa, zegt hij. De winkels van de Boerenbond en wellicht ook de Rabobank verdwijnen uit dorpen. Stedelingen kopen leegkomende boerderijen, leggen er een rieten dak op, maken een zwembad in de tuin en klagen: ‘wat stinkt het hier’.

Van den Dungen: „Alsof Philips met al zijn bedrijven uit Eindhoven vertrekt. Zo zou het zijn voor Haaren als de helft van de zestig intensieve veehouderijen hier ophoudt te bestaan. Gebouwen komen leeg te staan, velen verliezen hun baan.”

Boeren liggen er wakker van, zegt Van den Dungen. Zij vragen zich af of het bedrijf dat hun overgrootvader begon, volgend jaar nog bestaat. Ze weten niet of ze mogen uitbreiden. Ze wachten op de uitkomst van het debat over megastallen. In de tussentijd vragen ze de burgemeester: ‘wat moet ik nou?’ Maar de burgemeester kan het niet zeggen. Die staat met lege handen. Die wacht, net als zij.

Van den Dungen: „En als de provincie besluit dat boerenbedrijven niet meer mogen uitbreiden, dan mag de burgemeester dat aan de boeren uitleggen. De provincie beslist. Wij hebben te maken met de gevolgen. Gevolgen die we alleen nooit zullen kunnen opvangen.”

Daar zitten ze dan morgen, de Statenleden van Noord-Brabant. Wat weegt het zwaarst: economie of volksgezondheid?