Minister? Nee bedankt, ik blijf liever thuis

Voor de Oude Grieken was het privéleven inferieur aan het publieke bestaan. Door het christendom en de welvaart draaiden de rollen om, schrijft Rob Wijnberg.

De positieve reacties op het besluit van PvdA-leider Bos en CDA-minister Eurlings om zich aan het gezin te wijden, geven aan hoezeer de rol van de man in de samenleving is veranderd. Enkele decennia geleden zou het nog ondenkbaar zijn geweest dat een man het gezinsleven boven zijn werk had gesteld – laat staan dat een politicus het vaderschap verkiest boven het ministerschap.

Ook dat laatste is veelzeggend. Het vertrek van de ministers is niet alleen van emancipatoire betekenis, maar laat bovendien zien dat het privéleven niet meer als vanzelfsprekend ondergeschikt is aan het publieke belang. De rollen die iemand als privépersoon vervult – ouder, echtgenoot, vriend – worden op z’n minst als gelijkwaardig beschouwd aan het publieke ambt, of zelfs belangrijker gevonden.

Wie bekend is met het werk van de filosofe Hannah Arendt weet dat aan die opvatting een lange geschiedenis vooraf is gegaan. Het onderscheid tussen het publieke (‘de politiek’) en het private (‘de familie’) voert terug op de Oude Grieken, schrijft Arendt in haar essay The Public and Private Realm – maar werd wel heel anders begrepen dan tegenwoordig. De publieke sfeer (‘koinon’) en privésfeer (‘idion’) werden namelijk niet slechts als gescheiden beschouwd; nee, in het Griekse denken waren ze volledig tegengesteld aan elkaar – in betekenis en in waarde.

Het private was daarbij in alle opzichten inferieur aan het publieke. Dat de mens leefde in familie- of gezinsverband werd namelijk gezien als iets wat hij gemeen had met de dieren, voortkomend uit de noodzaak om te overleven. Het privédomein werd daardoor sterk geassocieerd met het ‘ondergeschikte’ en het ‘onvrije’, waar de mens slechts in verkeerde omwille van zijn onmiddellijke levensbehoeften, aldus Arendt. Het voorzien in die behoeften was dan ook uitsluitend voorbehouden aan de minderwaardigen in de maatschappij: vrouwen en slaven.

Het vermogen om politiek te bedrijven werd daarentegen juist beschouwd als dé eigenschap die het menselijke bestaan van het dierenrijk onderscheidde. De publieke sfeer was daarom ver boven het persoonlijke en alledaagse verheven en werd gelijkgesteld aan het ‘hogere’ en het ‘vrije’. Het gezinsleven stond als het ware in dienst van de politiek: functioneerde het naar behoren, dan stelde het de man in staat om boven het alledaagse uit te stijgen en aan het publieke domein deel te nemen – de enige plek waar hij vrij kon zijn. Het idee dat iemand zijn deelname aan het publieke leven zou willen verruilen voor het gezinsleven, zou dus absurd gevonden zijn – vergelijkbaar met het vrijwillig terugkeren naar een gevangenis.

Door de opkomst van het christendom verloor deze hiërarchische tegenstelling tussen publiek en privé echter haar betekenis. Familie en gezin werden door de kerk niet langer als een minderwaardige, maar juist als superieure en meest natuurlijke organisatievorm van menselijke relaties voorgesteld. Het gezinsverband groeide zelfs uit tot voorbeeld waarnaar de samenleving moest worden gemodelleerd. De maatschappij werd een spiegel van de familie – met ‘Vadertje Staat’ aan het hoofd.

Niet alleen steeg het privédomein daardoor enorm in aanzien, ook het onderscheid tussen publiek en privaat vervaagde: het gezin was immers een gepolitiseerd begrip geworden (vandaar: ‘hoeksteen van de samenleving’). De term ‘politieke economie’ zag zo het levenslicht. Die term zou door de Oude Grieken nog als een contradictio in terminis zijn beschouwd, omdat datgene wat de mens hielp te overleven (het economische) volledig werd toegeschreven aan het private, niet-politieke domein. Maar door het christendom werd het private politiek: het (economisch) verbeteren van het alledaagse leven werd de hoofdopdracht van de politicus.

Zo kwam het publieke in dienst te staan van het private in plaats van andersom. Daarmee verloor de publieke sfeer definitief haar verheven status. In praktische zin mag er tegenwoordig dus wel een kloof gapen tussen publiek en privé (het politieke ambt is zo veeleisend dat het nauwelijks te combineren is met een gezin), in filosofische zin is die kloof nooit kleiner geweest. Het algemene belang en het eigenbelang staan op gelijke voet met elkaar: er wordt niet vreemd opgekeken als een bestuurder of politicus ‘voor zichzelf’ kiest en meer tijd wil besteden aan ‘zijn eigen leven’.

De betekenis van beide sferen is ten opzichte van tweeduizend jaar geleden dus volledig omgedraaid. Beschouwden de Oude Grieken het gezinsleven juist als opgelegde last, waaraan men moest ontsnappen om ‘vrij’ te kunnen zijn, tegenwoordig is juist het publieke ambt een drukkende verplichting waaraan men zich moet onttrekken om ‘vrij’ te zijn.

Die ommezwaai is filosofisch, maar ook economisch van aard. Door de explosief gegroeide welvaart is de kwaliteit van het privéleven de afgelopen honderd jaar namelijk enorm verbeterd. Dat de Oude Grieken het publieke leven veel meer bejubelden dan wij, heeft dan ook te maken met het feit dat het privéleven toen nog zo armoedig en zwaar was dat alleen het politieke bestaan zingeving leek te kunnen bieden. Met de hedendaagse levensstandaard is dat idee volledig achterhaald geraakt.

De vraag is alleen of het niet té achterhaald is. Want waarom zouden burgers zich betrokken voelen bij de publieke zaak als zelfs de politici die hen daartoe moeten bewegen voorrang geven aan hun eigen leven? In de keuze van Bos en Eurlings en het begrip dat ervoor werd getoond, toont zich de paradox van de vooruitgang: het privébestaan is inmiddels zo veilig en comfortabel geworden dat toewijding aan het publieke goed al snel als een te groot offer wordt gezien. Wie dat de Oude Grieken had verteld, was nooit geloofd.

Rob Wijnberg is filosoof en columnist van nrc.next.