Kanttekeningen bij de strijd tegen de PKK

Op het eerste Amsterdam Turkish Film Festival zijn recente en merendeels prachtige films te zien, zoals ‘Revolution cars’, over de hilarische poging een Turkse auto te maken.

„Waarom zou er in Nederland wel een publiek zijn voor Spaanse en Italiaanse films, en niet voor Turkse?” vraagt Sinan Efe, directeur van het First Amsterdam Turkish Film Festival (ATFF) zich af. Turkse films zijn niet helemaal afwezig in de Nederlandse bioscoop: in de arthouses draait af en toe het werk van Nuri Bilge Ceylan. Het theaterconcern Pathé organiseert op Turks publiek gerichte voorstellingen waarop komedies vertoond worden – „met Turkse Eddy Murphy’s”, zegt Sinan.

Maar van de ongeveer tachtig speelfilms die vorig jaar in Turkije gemaakt zijn – het gros van de filmproductie dus – haalt per saldo maar een klein deel een algemeen Nederlands publiek. „Gebrek aan vakkundige distributie misschien, of misschien ook moeilijk te overbruggen culturele verschillen”, ziet artistiek festivaldirecteur Ipek Sur als voornaamste oorzaken.

Vanuit de gedachte dat de Turkse speelfilm beter verdient, begint morgenavond in het Amsterdamse Studio K het eerste Turkse filmfestival van Amsterdam. Met debatten, discussies en feesten – en vijftien speelfilms. Daaronder de Nederlandse première van Soul Kitchen van Fatih Akin (bekend van Gegen die Wand), en Uzak Ihtimal (The wrong rosary), een prachtige film van Mahmut Fazil Coskun over de onwaarschijnlijke liefde tussen een non en een muezzin, die vorig jaar op het filmfestival in Rotterdam heeft gedraaid.

De andere dertien, recente films zijn voor de Nederlandse bioscoopganger bijna volledig terra incognita. En al vlug blijkt de kijker dat hij heel wat mist: er zijn prachtige films bij, en allemaal hebben ze een hoge production value: goed camerawerk, prima montage, originele scenario’s.

Neem Devrim Arabalari (Revolution cars) van Tolga Örnek, die laat zien dat de Turkse cinema niet terugschrikt voor een hilarische benadering van het Turkse politiek verleden. Na de militaire staatsgreep van 1960 besluit de generaal die als staatshoofd optreedt dat een modern land een eigen merk personenauto hoort te hebben. Bij gebrek aan iets wat ook maar zweemt naar een industriële infrastructuur voor een auto-industrie, krijgt een groepje ingenieurs van de spoorwegen de opdracht. Zij moeten het prototype van de auto binnen een half jaar ontwerpen en eigenhandig vervaardigen. Ondanks forse bureaucratische tegenwerking – de inzichten van kameraad-staatshoofd worden in regeringskringen niet algemeen gedeeld – lukt hen dit nog ook, net op tijd voor een ererondje in de parade voor Onafhankelijkheidsdag. Maar dan gaat er iets mis, waardoor het voor altijd bij dit ene prototype zal blijven – overigens een historisch gegeven.

Nokta (Dot) van Dervis Zaim is een geheel in een zoutvlakte bij Konya opgenomen misdaadverhaal, waarin het om kalligrafie en diefstal van een dertiende-eeuwse Koran draait. Het is een soms hinderlijk artistiek-pretentieuze film, die opvalt door het veelvuldig gebruik van flashbacks en flashforwards. Dat karakteriseert Turkse films, zou je haast zeggen, én een cultuur waarin zowel het eigen verleden als de toekomst met veel vragen omgeven is.

Het Turkse filmfestival biedt een vijf films omvattend retrospectief van het werk van Cagan Irmak, wiens Babam ve oglum (My father and my son) uit 2005 in Turkije goed was voor meer dan drie miljoen verkochte bioscoopkaartjes. De regisseur ontleent zijn populariteit aan het subtiel aan de orde stellen van omstreden sociale thema’s en heeft met Ulak (The messenger, 2007, over Mevlana) getoond ook het geloof als thema niet te schuwen. Het ATFF vertoont ook zijn nieuwste film, Karanliktaliker (In darkness), een ironische komedie over een ogenschijnlijk sukkelige man die als manusje van alles op een reclamebureau werkt, en de fidele houding van zijn vrouwelijke baas ten onrechte voor blijken van liefde aanziet.

De meest verwonderlijke film van het festival is Nefes: vatan Sagolsun (The breath: long live the homeland) van Levent Semerci. Het is een prachtig gemaakte oorlogsfilm, gesitueerd op een slagveld waarvan je nooit films ziet: het Turkse regeringsleger vecht in Oost-Turkije tegen de Koerdische afscheidingsbeweging PKK. Nefes is een Turkse pendant van Oscar-winnaar The Hurt Locker. Zonder dat er echt afstand wordt genomen van het heldendom van de eigen soldaten, plaatst de film opmerkelijk veel kanttekeningen bij wat de oorlog bij de mannen teweeg brengt.

Zo zien we bijvoorbeeld de uitzinnige commandant een gewonde, vrouwelijke PKK-krijgsgevangene martelen, om inlichtingen los te krijgen, maar ook uit seksuele woede omdat hij denkt de maîtresse van zijn PKK-tegenhanger voor zich te hebben. Aan het eind van de film worden de Turkse militairen, op hun besneeuwde bergtop, door de PPK volledig in de pan gehakt. De laatste scène druipt van ironisch melodrama: een van de weinige overlevenden van de strijd zet met zijn laatste krachten de buste van Atatürk, de stichter van het moderne Turkije, weer op zijn sokkel. Net als aan het eind van The Hurt Locker, wanneer de o zo sympathieke, maar licht suïcidale bomexpert naar Irak terugkeert, weet je niet of je moet lachen of huilen. En dat lijkt, in beide gevallen, nu ook precies de bedoeling.

Amsterdam Turkish Film Festival, 19 t/m 21/3, Studio K, Amsterdam. Info: www.atff.nl