India van het Duister valt ten prooi aan buurvrouw

De nieuwe rijken in India permitteren zich veel tegenover hun personeel. Zo ook de buurvrouw. ‘Als er driftig wordt gescheld, betekent dat weinig goeds.’

Elke woede-uitbarsting van buurvrouw boven leidt tot filosofisch gepieker over het karakter van dit land. Zo groot, zo levendig, zo genereus en warm. Maar ook zo hard, zo bekrompen, zo afstotelijk.

Niet dat buurvrouw boven ooit boos is op ons. Wij hoeven niets te vrezen. Wij worden overal en altijd aangesproken met de toevoeging ji, een uiting van respect. Ook los daarvan: buurvrouw, wier man jaren geleden overleed en wier zoons in de VS wonen, is best een aardige vrouw die regelmatig informeert naar ons welzijn.

Nee, het ongenoegen van boven richt zich op het dienstmeisje en af en toe op de chauffeur van buurvrouw. Zij zitten hier aan de ontvangende kant van de samenleving. Dat wil zeggen: ze krijgen weinig betaald en ze hebben niets in te brengen. Als er driftig wordt gescheld, betekent dat doorgaans weinig goeds voor hen.

Bookerprijswinnaar Aravind Adiga (auteur van De Witte Tijger) plaatst de achterblijvers in de Indiase ratrace in het ‘India van het Duister’. Hij heeft het over de talloze migranten die uit de arme streken van India wegtrekken naar de metropolen om er een baantje te vinden. Velen werken in de bouw of knappen de straat op. Ze overnachten ook vaak op straat.

Onmiddellijk als je het huis uitkomt, doemt de tweedeling tussen het ‘India van het Licht’ en het ‘India van het Duister’ op. De slaperige bewakers op straat, de voddenman, de groenten- en fruitventers, de koeriers en boodschappenjongens, de dienstbodes die de hondjes van hun bazen uitlaten – zij moeten haastig een stap opzij doen als de opkomende middenklasse toeterend komt aanrijden. Wij trouwens ook. Wat dat betreft zijn de nieuwe Indiase rijken niet eenkennig.

Buurvrouw had een aardige hulp, een jong meisje nog, afkomstig uit Bihar of uit een andere arme deelstaat in het oosten, dat vriendelijk glimlachte in het trapportaal. Anderhalve maand geleden was ze plotseling weg. Na een stevige scheldpartij. Ze zou ‘iets’ hebben gehad met de jongen die hand- en spandiensten verleent voor de huisbaas en die in een kleine ruimte op het platte dak woont. Dat had de nieuwe bewaker, die nog maar enkele dagen voor het huis stond, buurvrouw boven in het oor gefluisterd.

Waarom zij hem had geloofd, is een raadsel. Iedereen vond de bewaker – de vorige was om de een of andere reden niet teruggekomen van familiebezoek op het platteland – een moeilijk peilbaar sujet met een valse glimlach om zijn mond.

Dat buurvrouw eigenlijk niets te maken heeft met de privéaangelegenheden van haar personeel doet er in India niet toe. Het eind van het liedje was: de dienstmeid eruit, en de bewaker trouwens ook na een aantal dagen. Wat volgde was een komen en gaan van een reeks nieuwe juffrouwen voor de huishoudelijke hulp. Eentje was al na twee uur weer vertrokken, sommigen hielden het enkele dagen vol.

Of ze allemaal zo slecht waren of dat het misschien aan buurvrouw zelf ligt, durven we niet te vragen. Maar toen vorige week de auto van buurvrouw deuken opliep bij een aanrijding zagen wij wel in waarom het ook tijd werd voor weer een nieuwe chauffeur. Het feit dat geen enkele automobilist in Delhi fatsoenlijk kan rijden, geldt hier niet als verzachtende omstandigheid.

India wil vooruit en gaat vooruit. De regering stelt alweer meer dan 10 procent economische groei in het vooruitzicht. Maar niet iedereen profiteert in gelijke mate. De dienstmeisjes, de particuliere chauffeurs en de bewakers aanschouwen de groeiende welvaart van zeer nabij. Maar ze maken er toch geen deel van uit. Ze moeten zich voorlopig nog schikken naar de grillen van hun bazen.