'Het voelt genant als je werkloos bent'

Werklozen worden steeds somberder, concludeert Patricia van Echtelt van het Sociaal en Cultureel Planbureau. „De prikkel om aan de slag te gaan ontbreekt.”

Betaald werk hebben maakt gelukkig. Dat concludeert socioloog Patricia van Echtelt van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in een onderzoek dat gisteren verscheen.

Van Echtelt vergeleek het welbevinden van werkenden en niet-werkenden in 1995 en in 2007. Conclusie: de kloof tussen werkenden en niet-werkenden is de afgelopen jaren groter geworden.

Werkenden zijn steeds gelukkiger geworden, terwijl werklozen somberder werden. Hoe kan dat?

„Aan de ene kant omdat de samenstelling van de onderzochte groepen is veranderd. De gemiddelde leeftijd van werklozen is hoger geworden en ze zijn, door de strengere regels rondom arbeidsongeschiktheid, ook iets ongezonder. Een tweede verklaring is dat arbeid in onze samenleving steeds belangrijker is geworden. Dus als je niet werkt, is dat nu veel vervelender dan een paar jaar geleden.”

Hoe verklaart u dat?

„We zijn meer gaan werken. De arbeidsparticipatie is de afgelopen jaren flink toegenomen. In 1985 werkten we gemiddeld 17 uur per week, in 2005 was dat 23 uur. Dat is bijna een hele werkdag meer. Dat komt vooral omdat meer vrouwen en ouderen zijn gaan werken. Niet-werkenden zijn steeds meer de uitzondering. Als jij om wat voor reden ook niet mee kunt doen op de arbeidsmarkt, voel je je meer dan vroeger buitengesloten.

„In mijn onderzoek haal ik de Franse filosoof Alain de Botton aan. In zijn boek Ode aan de arbeid zegt hij dat mensen tegenwoordig niet meer als eerste aan iemand vragen waar hij vandaan komt en wie zijn ouders zijn, maar de eerste vraag is: wat doe je? Werk is bepalend voor je identiteit.”

Schamen werklozen zich meer dan vroeger dat ze geen baan hebben ?

„Dat denk ik wel. Zodra er van jou verwacht wordt dat je werkt, is het genant om te vertellen dat dat niet zo is. Je kunt op een feestje beter zeggen dat je gepensioneerd bent, dan werkloos. Je ziet daardoor ook eufemismen opduiken: mensen zijn niet werkloos, maar ‘in between jobs’. Dat klinkt beter.”

Tijdens een economische crisis zou je verwachten dat die schaamte verdwijnt. De werkloosheid stijgt, dus het is niet meer uitzonderlijk om geen baan te hebben. Zag u dat terug in de cijfers?

„Het zou kunnen zijn dat werklozen hun situatie beter kunnen relativeren tijdens een crisis. Het heeft een verzachtende werking. Ze denken: het kan de beste overkomen, het ligt niet aan mij. In de jaren tachtig zag je die houding heel sterk: elk bedrijf kan failliet gaan en je hebt stomme pech als jij een van de mensen bent die op straat komt te staan. Tegelijkertijd zien we dat niet-werkenden in crisistijd minder vertrouwen hebben in de toekomst: het is dan immers nog moeilijker om weer aan een baan te komen. Uit eerder onderzoek van het SCP blijkt dat werklozen tijdens een crisis per saldo minder gelukkig zijn.”

In uw onderzoek valt op hoe lethargisch veel werklozen zijn. Eén op de drie had in de afgelopen vier weken geen moeite gedaan om een baan te vinden.

„Dat vond ik ook opmerkelijk. Je zou daaruit kunnen concluderen dat ze het prima vinden om werkloos te zijn, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Ze wíllen wel degelijk werken. Volgens mij is er vooral sprake van een gedragsprobleem: ze kunnen zich er niet toe zetten. Als werkloze heb je zeeën van tijd, maar dat kan een verlammend effect hebben. Sommigen gaan dingen dan heel langzaam doen. Van het UWV horen ze: kom over een maand maar terug. Dan denken ze: dan kan ik die sollicitatiebrief morgen ook schrijven, of volgende week. De prikkel om aan de slag te gaan, ontbreekt.”

Hoe kunnen werklozen uit die negatieve spiraal komen?

Idealiter zouden ze veel intensiever begeleid moeten worden door het UWV of door de gemeente bij het zoeken naar werk.”

Het UWV maakte vorige week juist bekend dat hun geld voor externe reïntegratietrajecten voor 2010 al bijna op is.

„Dat maakt het wel lastig. Want als je wilt dat mensen snel weer werken en zich minder somber voelen, moet je ze meer prikkelen om bezig te blijven.”