Het politieke bos in

Remkes (VVD) weg. Koenders (PvdA) geen kandidaat. Timmermans (PvdA) wel. Schreijer-Pierik (CDA) mag niet terug. Vendrik (GroenLinks) wil niet terug. Dezer dagen buitelen de berichten over politici die hun toekomstplannen bekendmaken over elkaar heen. Dat is niet verbazend. Opmerkelijker is de opwinding die her en der ontstaat als een van hen laat weten dat hij Den Haag voor gezien houdt.

Op 27 april moeten de partijen die aan de Tweede Kamerverkiezingen willen meedoen hun kandidatenlijsten inleveren. Partijen moeten nu dus voluit aan de slag met de samenstelling van hun lijsten. Ziedaar de verklaring waarom ogenschijnlijk zoveel zittende parlementariërs of bewindslieden nu laten weten of ze al dan niet beschikbaar zijn voor een zetel in de nieuwe Tweede Kamer. Omdat de verkiezingen als gevolg van de kabinetscrisis vervroegd zijn, hadden ze daarvoor een jaar minder bedenktijd; ze moesten opeens snel beslissen over hun eigen toekomst.

VVD’er Remkes, die straks tien jaar Tweede Kamerlid is geweest, vier jaar staatssecretaris en vijf jaar minister en bovendien zowel in de stad als de provincie Groningen politiek actief was, omschreef de ongefundeerde boosheid over vertrekkende politici deze week kernachtig. „Als je in de Kamer zit, ben je een zakkenvuller; als je weggaat, deugt het ook niet.”

Toen ex-minister en partijleider Bos (PvdA) en minister Eurlings (CDA) lieten weten dat ze de volgende periode niet beschikbaar zijn omdat ze meer tijd willen besteden aan hun gezin of aan de opbouw daarvan, trokken columnisten of andere zogeheten opinieleiders hun motieven meteen in twijfel. Sommigen weigerden zelfs eenvoudigweg die te geloven. Alsof politici a priori altijd liegen. Dat zijn wonderlijke en eigenlijk dubieuze reacties. Nog niet zolang geleden gaven partijen menig Kamerlid te verstaan dat het na twee periodes van vier jaar welletjes was, de indruk dat ze aan het pluche kleefden moest worden vermeden, het was tijd voor doorstroming en verjonging, et cetera.

Een politicus die in de Tweede Kamer wordt gekozen of plaatsneemt in het kabinet, gaat een commitment aan voor maximaal vier jaar. Hij heeft een morele plicht die periode vol te maken, voor zover politieke ontwikkelingen in zijn onzekere bestaan hem die tijd gunnen. Maar meer niet.

Het hoeft niet te verbazen als het heersende, vergroofde politieke klimaat een overweging is voor politici om niet bij te tekenen. Maar voor zover bekend heeft dat bij de meeste vertrekkende politici geen rol gespeeld. Wel omschreef minister Rouvoet (ChristenUnie) zijn functie onlangs als „een hondenbaan”. Al voegde hij eraan toe dat het wel „een mooie hondenbaan” was, toch geeft zijn opmerking te denken.

Weliswaar is maximale doelmatigheid bijna per definitie een onhaalbaar streven in een parlementaire democratie, het moet toch mogelijk zijn, of worden gemaakt, om zowel in het landsbestuur te opereren als er nog een fatsoenlijk privéleven op na te houden. Dat zal de kwaliteit van dat bestuur eerder ten goede dan ten kwade komen.