Het beste exportproduct van Israël

Filmkunst in Israël bloeit op na een jarenlange periode van artistieke stilstand.

Films als het vandaag uitgekomen Lebanon slepen prijzen in de wacht.

De Israëlische cinema, zei president Shimon Peres onlangs tijdens het filmfestival van Haifa, is „het beste exportproduct dat we hebben”. Een exportproduct? Films over vermoorde Libanezen (Lebanon)? Over een collectieve nachtmerrie als het bloedbad in Sabra en Shatila (Waltz with Bashir)? Over de discriminatie van Palestijnen in Jaffa (Ajami)?

Het heeft iets paradoxaals, zegt filmcriticus en universitair hoofddocent Yael Munk. „Israëlische filmmakers halen de laatste jaren met ogenschijnlijk speels gemak prijzen op internationale filmfestivals. Tegelijkertijd zijn het meestal films die vrijwel zonder uitzondering de zwarte kanten van Israëls geschiedenis belichten.”

De Nieuwe Israëlische Cinema, noemt Munk het genre dat de laatste jaren het dominante geluid van Israël is geworden op internationale filmfestivals. „Het is een reactie op een jarenlange periode van artistieke stilstand. Filmmakers kiezen voor de relevantie, en gaan voluit de confrontatie aan met zichzelf en het publiek.” De introspectieve animatiefilm Waltz with Bashir (2008), de Joods-Palestijnse film Ajami (2009) die later dit jaar in Nederland uitkomt en de realistische oorlogsfilm Lebanon, hebben het meeste succes.

Meer nog dan alleen een exportproduct, zei criticus Uri Klein onlangs in de krant Ha’aretz, is de cinema „een middel voor reflectie”, waarmee lastige thema’s bespreekbaar worden gemaakt. „De Israëlische film heeft daardoor een centrale plaats in de samenleving ingenomen.”

De ontvangst van deze films in Israël was iedere keer min of meer hetzelfde. Filmcritici waren vol lof over de kwaliteit en bewonderden de eerlijkheid van de filmmakers. Kritiek was er ook. Rechtse media en blogs schreven dat Maoz de vuile was over de Eerste Libanonoorlog niet mocht buitenhangen. De bekende linkse columnist Gideon Levy van Ha’aretz sabelde films als Lebanon en Waltz with Bashir neer als de categorie ‘schieten en huilen’. Israëlische soldaat schiet iemand dood en krijgt het er moeilijk mee. De dader wordt slachtoffer. Levy: „Want slachtofferschap is een essentieel ingrediënt in het publieke debat van Israël.” Het perspectief blijft voortdurend aan de Israëlische zijde. We zien worstelende Israëlische soldaten. Menselijk en herkenbaar. De vijand blijft abstract, die zien we alleen door de ogen van die soldaten, of door de loop van hun tank.

Tawfik Abu Wael, een jonge Israëlische filmmaker van Palestijnse afkomst, is een dissident in de Israëlische filmelite. Hij zet zich luidruchtig af tegen de druk vanuit het buitenland om vooral met films te komen die over het Israëlisch-Palestijnse conflict gaan. Abu Wael noemde het onlangs een „perverse prikkel”. Film- en stimuleringsfondsen zijn dol op kritische films en vragen hem om films te maken over de afscheidingsmuur, Israëlische soldaten en Palestijnse stenengooiers. „Mag je in het Heilige Land niet gewoon een liefdesverhaal vertellen?”

Het Israëlische publiek, zegt Yael Munk, is trots op het buitenlandse succes van de laatste jaren. Tegelijkertijd missen de films in Israël hun doel. „Het is me al vaker opgevallen dat veel van deze films als pure fictie worden beschouwd. Ajami is nu een hit in de bioscoop, maar het lijkt iedereen te ontgaan dat het over de problemen in een Arabische wijk in Jaffa gaat. Lebanon is ook een veilige film: hij gaat over een oorlog van jaren geleden. Een soortgelijke film over de Gaza-oorlog van vorig jaar lijkt me nog ondenkbaar.”