Als man de baas is, is meisje makkelijk slachtoffer

Incest komt ook voor bij migrantengezinnen. Maar misbruikte meisjes kunnen onmogelijk met hun familie breken. „De angst je familie te verliezen is existentieel.”

Ibtisam wordt seksueel misbruikt door haar broer. Gewoon boven, op haar kamer, terwijl haar moeder brood bakt in de keuken. Het begon al toen ze zes was.

Ibtisam is de hoofdpersoon in het boek van Renate van der Zee, Een meisje voor dag en nacht, dat gisteren werd aangeboden aan voormalig stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch van Amsterdam Slotervaart. Ibtisam bestaat echt. Ze is een Marokkaans-Nederlandse politieagente in een grote stad. Renate van der Zee tekende haar verhaal op. Het is een mooi inkijkje in een Marokkaans gezin, met eerstegeneratieouders en kinderen die in Nederland opgroeien.

Het thema van het boek is het seksueel misbruik in migrantengezinnen, een verborgen probleem dat nauwelijks openlijk wordt besproken. Traumatisch voor iedereen die dat overkomt. Voor migranten die afkomstig zijn uit een ‘eercultuur’, zoals Turken, Marokkanen, Hindoestanen, Pakistanen, Afghanen en Irakezen, ligt het nog complexer. „Een geschonden eer is het ergste dat een traditionele migrantenfamilie kan overkomen”, schrijft Van der Zee in het nawoord. „De familie wordt uit de gemeenschap gestoten, mannen worden met de nek aangekeken [...] dochters kunnen niet meer trouwen.”

In die culturen wordt grote waarde gehecht aan de maagdelijkheid van een meisje, zegt Jannie Oenema, projectleider van Zahir Fier Fryslân, een opvanghuis voor meisjes van 14 tot 23 jaar die slachtoffer zijn van eergerelateerd geweld in het noorden van het land. „Als een meisje voor het huwelijk haar maagdelijkheid verliest, is dat een enorme schending van de familie-eer. Soms wordt geprobeerd de familie-eer met geweld te herstellen. Dat kan zelfs uitlopen op een moord.”

Van der Zee, die eerder het boek Eerwraak in Nederland schreef, beaamt dat. „Daarom is het zwijgen over incest in zo’n familie nog hardnekkiger dan het is in een autochtoon gezin”, zegt zij. Dat merkt Jannie Oenema ook. „Ze zullen nooit in de intake zeggen dat ze misbruikt worden. Ze zeggen dat ze geslagen worden. Of beknot in hun vrijheid. Het echte verhaal komt meestal pas na enkele maanden. Ze moeten eerst vertrouwen krijgen in een hulpverlener en zeker weten dat het vertelde tussen hen blijft.”

Meisjes die opgroeien in een migrantengezin zijn vaak ook gemakkelijke slachtoffers, zegt Oenema. „Zij krijgen van jongsaf te horen dat de mannen de baas zijn in huis en dat zij naar hen moeten luisteren. Vaak is een broer of een oom de dader. Kom daar maar eens mee aan in de familie.”

Het is voor buitenstaanders erg lastig om het te zien, zegt Marianne Cense, onderzoeker bij de Rutgers Nisso Groep, kenniscentrum seksualiteit. „Slachtoffers zijn kampioen in het verborgen houden van seksueel misbruik, uit schuldgevoel, door dreigementen, uit schaamte.” Cense deed onderzoek naar seksueel geweld binnen verschillende culturen. Zij zegt dat de lichamelijke pijn en angst universeel zijn, maar dat de sociale steun die vrouwen kunnen verwachten erg verschilt. „Deze meisjes krijgen vaak de schuld van het misbruik. Een Nederlandse vrouw zal dat tegenwoordig niet snel horen, al was dat vroeger anders.”

De hulpverleners van Zahir hebben in de praktijk geleerd. Oenema: „Het vereist een heel andere vorm van communicatie. Als je er niet naar vraagt, hoor en zie je het niet. Nu weten we dat we er alert op moeten zijn en bij vermoedens toch ernaar moeten vragen. Niet rechtstreeks, maar via een omweg. Uiteindelijk is het een verademing voor zo’n meisje dat ze erover kan praten.”

Er zouden meer van die hulpverleners moeten zijn, zegt Indra Boedjarath, directeur van Mikado, het landelijke kenniscentrum voor interculturele zorg in Rotterdam. „Er is binnen de opleidingen veel te weinig oog voor interculturele communicatie. Zo vinden Nederlandse hulpverleners vaak dat een slachtoffer iemand van de familie in vertrouwen moet nemen. Of dat een meisje het toch echt aan de ouders moet vertellen. Of dat ze gewoon het huis moet verlaten. Breek met je familie.”

Voor veel allochtone meisjes is dat ondenkbaar, zegt Marianne Cense: „In wij-culturen is familie alles. De angst je familie te verliezen is existentieel. Zonder je familie besta je niet meer. Dat kunnen mensen die uit een individuele cultuur komen, zoals wij, ons niet voorstellen.”

Boedjarath vertelt over een Turks meisje dat ze behandelde. Het meisje was misbruikt door haar broer, had daardoor ernstige psychiatrische problemen en had behandeling nodig. Maar de regel van het behandelcentrum was dat de patiënten iemand in hun nabije omgeving moesten vertellen wat er aan de hand was. Het meisje was daarvoor veel te bang. De behandeling ging niet door. De hulpverlening is erg monocultureel, zegt Boedjarath. „Daardoor voelen meisjes en vrouwen zich vaak onbegrepen en haken af. Dat is ernstig.”

Cense: „Incest wordt je aangedaan door iemand die dicht bij je staat, iemand van wie je houdt. En die je tegelijkertijd haat. Het is die kluwen van liefhebben en afstoten die zo schadelijk is, zeker voor een kind. Daarom is incest zo vernietigend voor het basisvertrouwen.”

Ook Ibtisam komt uiteindelijk in grote problemen door haar verleden. Ze zoekt hulp, maar pas als ze volwassen is, getrouwd met een Nederlandse man en een kind heeft. Ze overweegt het aan haar moeder te vertellen. „Wat zou ik haar graag de ogen willen openen voor de bekrompenheid waarmee ze mij mijn jeugd lang van mijn vrijheid heeft beroofd. De onzinnige gedachte dat ik thuis moest blijven omdat er buiten van alles met me zou kunnen gebeuren. Terwijl ik thuis juist het meest te vrezen had.”

Uiteindelijk zegt ze niets. Ze kan het haar moeder niet aandoen.

Vrijdag in Boeken: Pas verschenen integratieboeken.