Zoete stank

Ontdaan wankelde de kleine, oudere dame naar een van de laatste lege plaatsen van het treincompartiment.

„Gosje, wat me nou toch is overkomen”, zei ze tegen een ongeveer even oude man die op de stoel tegenover haar zat. Hij had geen krant om zich achter te verschuilen – met die tabloids wordt dat trouwens steeds lastiger, lees ook daarom NRC Handelsblad!

De dame hield uiterst voorzichtig een koffiebeker vast, alsof het een handgranaat was die elk moment kon ontploffen. Ze zette de beker op het tafeltje bij het raam. Daarna pelde ze zichzelf met trage gebaren uit haar grijze lange jas, die aan de voorkant vreemde, grote vochtplekken vertoonde.

Ze legde de jas naast zich, haalde papieren zakdoekjes uit haar tas en begon daarmee het voorpand te bewerken. Intussen zette de trein zich in beweging.

„Kan ik u helpen?” vroeg de man. Hij had toch niks te doen.

„Het lukt wel”, zei ze, en ze keek hem even dankbaar aan. „Het was natuurlijk mijn eigen schuld, maar tóch…Nou ja, ik had gewoon zin in een lekkere beker cappuccino met karamel. Ik koop die beneden in de hal, samen met twee suikerbroodjes. Je mag jezelf best wel eens verwennen. Ik doe er een dekseltje op en loop rustig de trap naar het perron op. Niks aan de hand. Het liefst had ik de koffie in de trein opgedronken, maar er was een vertraging die nog wel even kon duren.”

Ze pauzeerde. De contouren van het naderende drama begonnen zich steeds duidelijker af te tekenen, maar ze was een goed verteller en wist hoe je de spanning opbouwde.

„We stonden maar te wachten en te wachten en ik dacht: kom, ik neem een slokje, anders wordt-ie koud. Ik wil drinken uit dat gaatje in het deksel, maar er komt weinig uit. Ik zie een vrouw tegenover me verbaasd naar me kijken, maar heb nog niets in de gaten als ik een grotere teug probeer te nemen. Op dat moment schiet de deksel eraf en valt de halve beker over mijn sjaal, jas, broek en schoenen. Een ramp! Ik kijk weer naar die vrouw, maar ze draait zich vlug om en loopt weg. Achteraf besefte ik dat ze alles moet hebben gezien, al vanaf het begin, maar om een of andere reden deed ze niets om me te waarschuwen.”

„Misschien heeft ze niks gezien”, zei de man.

„Jawel”, zei de dame beslist. „Die deksel moet al los hebben gezeten toen ik mijn eerste slok nam. De koffie liep eruit omlaag terwijl ik nog niets in de gaten had. Daarom keek ze zo verbaasd naar me.”

Ze pakte de tas op en snoof eraan. „Het ergste vind ik nog die zoete stank. Ik ruik helemaal naar karamel! En ik moet nog wel naar een receptie. Als die vrouw nou maar eerder…”

„Sommige mensen missen de tegenwoordigheid van geest”, zei de man. „Het hoeft geen kwaadaardigheid te zijn. Ik liep deze winter naar een bruggetje. Het had stevig gevroren, maar ik had niet gemerkt hoe glad het was. Er stonden twee jonge vrouwen op die brug bij hun fiets.

„Vlakbij hen ging ik volledig onderuit, als een schaatser die verkeerd uit de bocht komt. Het moet er spectaculair hebben uitgezien, zo’n ouwe kerel die op zijn heup méters doorglijdt. Ik krabbel overeind en die vrouwen zeggen: ja, wij hadden al gemerkt hoe glad het hier is.”

Ze zwegen.

De vrouw pakte haar jas, begroef haar neus erin en kwam weer moedeloos tevoorschijn.