Steunplan Grieken blijft uit

EU-ministers van Financiën deden maandag alsof er een Grieks steunplan was.

In werkelijkheid was er amper vooruitgang. Van Rompuy wacht een grote klus.

Grimmige gezichten. Ontwijkende antwoorden. De ministers van Financiën van de eurolanden konden maandagavond laat slecht verbergen dat zij er niet in zijn geslaagd een akkoord te bereiken over een financieel hulppakket aan Griekenland.

Na een vergadering van vijf uur kwamen de ministers niet verder dan de officiële mededeling dat zij hadden besloten Griekenland te hulp te schieten als het echt niet anders kan. „Over het principe zijn wij het eens”, zei de Luxemburgse premier en eurogroepvoorzitter Jean-Claude Juncker. „Alleen op de technische details moeten we verder studeren. De regeringsleiders zullen daarover beslissen.” Of dit op de reguliere top moet gebeuren die volgende week in Brussel wordt gehouden, of dat er een aparte top nodig is, liet Juncker in het midden.

Volgens ingewijden hebben de ministers echter nauwelijks voortgang geboekt in het debat over de ‘technische modaliteiten’ van een reddingsactie. Totnogtoe is slechts duidelijk dat de optie om Griekenland eventueel met kredietgaranties te hulp te schieten, van de baan is. Daarmee lijkt een ander instrument – directe commerciële leningen met harde voorwaarden voor Athene – op de voorgrond te komen. Waar weinig misverstand over bestaat, is dat achter dit technische debat een politiek debat schuilgaat. Daarin staan Duitsland en Frankrijk lijnrecht tegenover elkaar. Maandagavond hadden de Duitse minister Wolfgang Schäuble en zijn Franse collega Christine Lagarde een meningsverschil over wat Europese solidariteit inhoudt en welke voorwaarden daarvoor gelden.

Duitsland weigert vooralsnog financiële hulp aan Griekenland te geven. Het vreest de publieke opinie, die weigert Griekenland te belonen voor wangedrag. Frankrijk wil al sinds januari een gul gebaar voor Griekenland. In Parijs vindt men dat Duitsland de boel traineert en toelaat dat de financiële markten Griekenland langzaam wurgen. Minister Lagarde vindt dat Duitsland moet ophouden met van andere eurolanden verlangen dat zij hun economieën en overheidsfinanciën afstemmen op Duitsland. Niet toevallig gaf zij een interview aan de Financial Times, waarin zij uitlegde dat het geweldig is dat Duitsland zijn concurrentiepositie afgelopen jaren zo heeft vergroot door lonen te bevriezen en productiviteit te verhogen, maar dat dit ten koste is gegaan van andere economieën in de eurozone die dat niet hebben gedaan. „Dit is een moeilijk onderwerp”, herhaalde ze maandagavond na de vergadering, in een opvallend slecht humeur, „maar het moet gezegd worden: er is meer convergentie nodig, meer overleg. Dit is geen houdbaar model voor de lange termijn voor de hele groep. Anders gaat economische groei van de een ten koste van die van de ander.”

Duitsland en Frankrijk verwijten elkaar, kortom, dat ze niet solidair zijn. Probleem is dat de één iets anders verstaat onder Europese solidariteit dan de ander. Duitsland wil, gesteund door Nederland, dat de eurogroep het Duitse voorbeeld volgt. Anderen eisen juist dat Duitsland meer rekening met hén houdt. Dit fundamentele politieke meningsverschil over waar Europa heen moet, is niet nieuw. Maar nu de dreigende ontsporing van Griekenland de eurogroep dwingt om een betere langetermijnvisie te formuleren, zit het de ministers als een graat in de keel.

Om enigszins toe te dekken hoe diep de verschillen zitten, gaf de eurogroep maandagavond een verklaring uit waarin stond dat eurolanden „vastbesloten en gecoördineerd actie ondernemen” als dat nodig is. Maar iedereen weet dat de EU-regeringsleiders allang, op 11 februari, hebben besloten Griekenland niet te laten vallen – mits de regering in Athene alle bezuinigingen en hervormingen doorvoert die EU-landen, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank het opleggen. Inmiddels heeft zelfs ECB-president Jean-Claude Trichet, die keihard is geweest voor Griekenland, gezegd dat de Grieken dat keurig hebben gedaan. In plaats van 1,5 procent hebben de Grieken 2 procent van het bbp geschaafd. Daarmee, zei Juncker maandag, is Griekenland „goed op weg” om het begrotingstekort van 12,7 procent in 2010 te verminderen tot 8,7 procent.

Beleggers blijven echter sceptisch. De hoge rentes op Griekse staatsobligaties dalen niet. Als Griekenland eind april zo’n 20 miljard euro moet lenen, kan dat het land opbreken. Vandaar dat een ‘gebaar’ van de eurozone nodig blijft om de rentes te drukken. Zo kwam de bal weer bij de Europese ministers terecht. Maar die schoppen hem nu uit onmacht door naar de regeringsleiders.

Daarom had de eurogroep maandagavond een ongebruikelijke gast: EU-president Herman Van Rompuy. Op 11 februari slaagde hij erin om Duitsland en Frankrijk achter de solidariteitsverklaring te krijgen. Dat was een heksentoer. Van Rompuy zal al zijn onderhandelingstechnieken uit de kast moeten halen om die verklaring inhoud te geven.