Staten redden nu vooral eigen hachje

Door de crisis zijn nationale overheden vooral bezig hun eigen industrie te redden. Vrijhandel wordt daarmee sterk op achterstand gezet, betoogt Marc De Vos.

De Wereldhandelsorganisatie meldt dat er sinds september 2009 geen significante intensivering van handelsbelemmeringen is opgetreden. Dat is goed nieuws voor wie meer opheeft met wereldwijde welstand dan met egoïstisch beleid ten nadele van andere landen. De Wereldbank telde in 2008 en 2009 nog een sterke en steeds snellere toename van protectionistische maatregelen. Nu vernemen we dat die stijgende trend een hoogtepunt bereikte in de laatste maanden van vorig jaar.

Maar laten we niet te optimistisch zijn. De jaren 2008-2009 laten een pijnlijke erfenis na van honderden protectionistische horden, en het is lang niet zeker dat die in de toekomst weggewerkt zullen worden. Maar belangrijker is dat de koorts van het economisch nationalisme een meer fundamentele crisiskwaal maskeert: de opkomst van het staatskapitalisme. De crisis heeft overheden wereldwijd naar een hoger niveau van economisch ingrijpen gebracht. Overheden kozen de winnaars en verliezers in de financiële en verzekeringsmarkten, redden autoproducenten met overheidsmiddelen en sturen de economie met een kakofonie aan keynesiaanse stimuleringsplannen.

Veel van deze ingrepen waren wellicht onvermijdelijk. Maar ze betekenden wel injecties met geleend geld van de belastingbetaler in wat politici als nationaal belang percipiëren, naar industrieën en bedrijven die in een goed politiek blaadje staan.

Het onvermijdelijke gevolg is protectionisme. Denk aan de auto-industrie. Toen Obama de autoreuzen van Detroit redde, deed hij dat door drastisch de concurrentie uit andere landen te fnuiken, door duizenden arbeiders te negeren in bedrijven die geen aanspraak konden maken op belastinggeld en door beslag te leggen op tientallen miljarden dollars die ook anders besteed konden worden. Dat leidde niet tot een handelsoorlog binnen de WTO, maar integendeel tot een wereldwijde golf van staatssteun voor autoproducenten.

Is dit een model voor eerlijke concurrentie en faire globalisering? Uiteraard niet. Maar een analoog scenario speelt ondertussen wel in de nieuwe mode van nationale industriële strategieën. Om snel van recessie naar expansie te schakelen, werken overheden in de hele wereld aan eigen strategieën voor groei.

In Frankrijk orkestreert Nicholas Sarkozy een nationale lening van 35 miljard euro voor strategische investeringen – uiteraard door hemzelf te kiezen. En zo gaat dat maar door.

Daarnaast leidt de mantra van de ‘duurzame groei’ tot een wedloop van staatsinvesteringen en -planning. De groene auto hypnotiseert politici en zuigt wereldwijd voor miljarden staatssteun op.

De trend van door de overheid geleide groei is fundamenteler en problematischer voor de toekomst van de wereldhandel dan de veelal onbewuste vlaag van protectionistische reflexen in het heetst van de crisis. Daarenboven is deze trend ouder dan de crisis zelf. Groeilanden met een staatskapitalistische oriëntatie – vooral China – waren al jaren vóór het subprime-debacle marktaandeel en belang aan het winnen. Zowel hun economische invloed als hun economische model profiteert sindsdien van de crisis, die algemeen wordt voorgesteld als een mislukking van het Amerikaanse marktkapitalisme.

Open handel vergt het intellectuele inzicht dat het de wederzijdse belangen dient, het vermogen om de publieke opinie daarvan te overtuigen en een internationale leider die landen naar toezeggingen duwt. Geen van deze voorwaarden heeft de crisis zonder grote schade doorstaan. De economische wetenschap heeft ogenschijnlijk gefaald. Zowel kiezers als politici schuwen buitenlandse concurrentie, terwijl hun economieën bloeden. Amerika is zijn aura kwijt. De Amerikaanse president is niet langer de missionaris die de blijde boodschap van markt en democratie predikt, maar een pelgrim die de wereld rondreist in nederige bewondering voor de modellen van andere landen.

Niets van dit alles is gemakkelijk meetbaar in rapporten van de WTO. Maar het wijzigt wel de tektonische platen die de hele constructie van de globalisering schragen en het duwt de wereld in de richting van een minder open en meer mercantilistische vorm van neoglobalisering.

Terwijl de Doha-ronde voor mondiale handel in het moeras blijft steken, floreren bilaterale handelsakkoorden als nooit tevoren, vooral in Azië. Die bilaterale akkoorden zijn meer struikelblokken dan bouwstenen voor internationale handel. De beperkte win-win van de bilaterale handel is de vijand van de open wereldhandel. Het ongelijke pad van het wereldwijde economische herstel is daarin een bondgenoot. In veel groeilanden wordt de huidige en toekomstige economische groei sterk bepaald door de overheid. In de VS en Europa zijn aanhoudende werkloosheid en zwakke groei de vijanden van markten en handel, maar tevens de wegbereiders voor een actievere overheid. Het staatskapitalisme is dus duidelijk nog niet weg.

Vrijhandel heeft politiek alleen gewerkt toen alle partners er baat bij hadden. Door de markt gedreven globalisering brengt groei, maar vooronderstelt ook groei. Wanneer het zwakke wereldwijde economische herstel uitgroeit tot echte wereldwijde expansie, dan kan het rijzende tij misschien nogmaals de slagbomen optillen en het nationalisme terugdringen. Maar zolang een groot deel van de wereld in crisismodus blijft steken, zal de toekomst van globalisering en handel minder vrij en meer politiek zijn dan vóór de crisis.

Marc De Vos is hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit Gent en directeur van het Itinera Institute. Zijn After the Meltdown: The Future of Capitalism and Globalization in the Age of the Twin Crises verscheen vorige maand.