Minder afschot dieren in Flevoland

Staatsbosbeheer heeft dit jaar en vorig jaar in de Oostvaardersplassen minder dieren het ‘genadeschot’ kunnen geven dan was afgesproken. Dat heeft demissionair minister Verburg (Natuur, CDA) vanmiddag gezegd in de Tweede Kamer.

De afspraak is dat 90 procent van de ernstig verzwakte wilde dieren in de Oostvaardersplassen wordt afgeschoten voordat ze zelf tijdens de winter de hongerdood sterven. Vorig jaar kreeg 85 procent van de ernstig verzwakte dieren een genadeschot. Dit jaar is dat tot op heden nog maar ongeveer 80 procent. Een van de oorzaken is volgens Verburg dat veel dieren zich deze winter hebben verplaatst naar moeilijk toegankelijke moerassen. Ook kon niet altijd worden geschoten door de aanwezigheid van grote aantallen schaatsers.

Aan het halen van de 90 procent werd getwijfeld naar aanleiding van televisiebeelden en observaties van bezoekers van het natuurgebied tussen Almere en Lelystad. Op deze beelden zijn verzwakte, stervende dieren te zien. Onder meer PvdA, SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren dringen aan op voldoende menskracht en meer toezicht om te kunnen bepalen welke dieren het genadeschot moeten krijgen, bleek vandaag tijdens een spoeddebat.

Verburg meldde vanmiddag dat 21 procent van de wilde dieren in de Oostvaardersplassen de afgelopen drie maanden is gestorven. Dat is meer dan vorig jaar, toen bijna 10 procent de winter niet overleefde, maar minder dan de 30 procent die internationale deskundigen gemiddeld voor mogelijk hielden. Tot eergisteren zijn deze winter 815 dieren gestorven.

Een meerderheid in de Tweede Kamer is geen voorstander van het al vóór de winter afschieten van grotere aantallen edelherten, konikpaarden en heckrunderen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt op de Hoge Veluwe. Voor dit preventieve afschieten pleiten vooral het CDA en de VVD. Kamerlid Henk Jan Ormel (CDA) wil een definitief einde maken aan dit „experiment met dieren”, ofwel „Jurassic Park op de bodem van de Zuiderzee”. Ook de Partij voor de Vrijheid wil een einde aan deze „tupperware-natuur”, aldus Kamerlid Dion Graus.