Harde ingrepen nodig

Ze heten Ter Haar, Kuipers, De Jong, Brabers, en ze zijn buiten het Haagse politiek/ambtelijke circuit niet zo bekend. Dit zijn vier van de twintig voorzitters van even zovele ambtelijke werkgroepen naar wier werkzaamheden met spanning wordt uitgekeken. Over een dikke twee weken moeten zij hun ‘brede heroverwegingen’ hebben voltooid op basis waarvan de politiek de komende periodes ongekend grote bezuinigingen zal moeten doorvoeren.

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft die noodzaak gisteren bevestigd met de publicaties van het Centraal Economisch Plan 2010 en vooral de Economische Verkenning 2011-2015. De financiële en economische crisis heeft de Nederlandse economie een dreun toegebracht die nog jaren voelbaar zal zijn.

Waren het tot nu toe vooral bedrijven en ontslagen werknemers die de gevolgen van de crisis ondervonden, de komende jaren zal dat voor alle Nederlanders het geval zijn. Bijvoorbeeld doordat ze misschien hun hypotheekrente niet meer fiscaal kunnen aftrekken, voor een groter deel zelf hun medische kosten moeten betalen, geen studiefinanciering ontvangen, hun huren stijgen, hun kaartje voor het theater of hun lidmaatschap van de sportvereniging duurder wordt. Of doordat ze meer belasting moeten gaan betalen.

In wezen is dat de discussie voor de komende jaren: gaan de lasten voor de burgers langs indirecte weg omhoog, en zo ja in welk tempo, of rechtstreeks? Of ligt een combinatie van beide opties voor de hand?

Verrassend waren de conclusies van het CPB niet. Of het zou moeten zijn dat niet alleen de crisis problemen veroorzaakt, maar ook dat de opnieuw gestegen levensverwachting de collectieve uitgaven, en daarmee het begrotingstekort, hoger opstuwt dan eerder was voorzien. Het CPB becijfert dat de overheidsbegroting een ingreep ter hoogte van 29 miljard euro nodig heeft om weer gezond te worden en dat er maatregelen nodig zijn die qua omvang vergelijkbaar zijn met wat er in de jaren tachtig gebeurde, toen de kabinetten-Lubbers met harde, doch noodzakelijke ingrepen de basis legden voor het herstel van de economie.

Aan het bedrag van 29 miljard moet niet te veel absolute waarde worden toegekend. Daarvoor zijn de aannames die eraan ten grondslag liggen, zoals de veronderstelde economische groei, te onzeker. Het kabinet had zelf al becijferd dat ook bij een groei op het niveau van voor de crisis de overheidsschuld toch met 30 miljard per jaar zou stijgen. De ambtelijke werkgroepen zijn aan de slag gegaan met de boodschap dat ze voor 35 miljard aan maatregelen moeten vinden, waaruit de politici dan keuzes kunnen maken.

Harde ingrepen zullen daarbij niet te vermijden zijn. De politieke partijen behoren voor de landelijke verkiezingen van 9 juni duidelijk te maken welke keuzes zij maken.

Hopelijk komen zij daarbij verder dan holle retoriek als ‘de bureaucratie’. De kiezers hebben recht op duidelijkheid en daarna op een kabinet en een parlement die niet terugdeinzen voor de harde realiteit en consequenties daarvan.