Geldmachine Egeria doet in stilte haar werk Familie Brenninkmeijer ging haar eigen weg

NRC Media is sinds vorige week voor 80 procent in handen van Egeria, een financieel succesvolle, teruggetrokken werkende investeerder, opgericht door de Brenninkmeijers.

Geheimzinnigheid is hun norm. Private-equityfinanciers die complete bedrijven overnemen en na enkele jaren (of langer) weer doorverkopen, zijn gesloten bolwerken. Gegevens over hun financiële gang van zaken zijn alleen beschikbaar voor hun eigen investeerders. En de meeste van die investeerders, zoals vermogende families en pensioenfondsen, zijn al net zo gesloten.

Sinds vrijdag is zo’n private-equityfinancier, Egeria, de meerderheidsaandeelhouder van NRC Handelsblad, nrc.next , de websites en andere activiteiten van NRC Media. Vorige week werd de overname ter waarde van een kleine 70 miljoen euro formeel afgerond. Egeria bezit nu 80 procent van NRC Media. De overige 20 procent is voor tv-zender Het Gesprek.

Wie is Egeria eigenlijk?

Uit gesprekken met (voormalige) werknemers en zakenpartners en op basis van documenten komt het beeld naar voren van een financieel succesvolle, teruggetrokken werkende investeerder, die voor zijn eigen aandeelhouders enkele bijzonder lucratieve transacties heeft gedaan en die draait om één man: directeur en partner van het eerste uur Peter Visser.

Egeria wordt sinds de oprichting in 1996 geassocieerd met de familie Brenninkmeijer, eigenaren van het C&A-concern. Des te opvallender was de ingezonden brief van eind december 2009, waarin de Zwitserse investeringsmaatschappij van de Brenninkmeijers, Cofra Holding, schreef dat zij niets met de investering in NRC Media te maken heeft. „Egeria is al lang niet meer [...] het beleggingsvehikel van de familie Brenninkmeijer.”

Dat was nieuws. Leden van de puissant rijke familie stichtten Egeria BV in september 1996, aanvankelijk bemand door enkele stafleden uit het C&A-concern of gelieerde investeringsmaatschappijen en stichtingen. Na een klein jaar trokken zij MeesPierson-bankier Peter Visser aan, die toen nog Peter Boersma heette.

Met de investering in Egeria wilde de familie Brenninkmeijer een hoger rendement bereiken op haar privébeleggingen. Zij wilde een investeerder van betekenis worden in een nieuwe categorie beleggingen: private equity. Ze stak 350 miljoen gulden in Egeria.

De beheerders van private equity kopen hele ondernemingen, bijvoorbeeld van familieondernemers of grote concerns die van een dochterbedrijf of divisie afwillen. Zij maken graag gebruik van bankleningen voor de overnamefinanciering. Zij kijken intensief mee over de schouders van de managers en doen de zaak vervolgens weer van de hand. Zij mikken op hoge rendementen. Egeria streeft naar een rendement op het geïnvesteerd vermogen van 25 procent per jaar. Liever meer. Die doelstelling heeft Egeria naar eigen zeggen altijd en ruimschoots gehaald.

Private-equityfinanciers bereikten hun hoge rendementen tot de kredietcrisis van 2008 doorgaans door hun aankopen op te zadelen met een hoge schuldenlast. Alle waardegroei van het gekochte bedrijf komt op die manier ten goede aan de nieuwe aandeelhouder, de private-equityfinancier.

De crisis van 2008 maakte in één klap een eind aan dit tijdperk van gemakkelijk en goedkoop geld lenen. Private-equityfinanciers worden teruggeworpen op hun kernactiviteit: bedrijven zonder financiële hocus pocus helpen groeien.

Daarbij heeft Egeria na een richtingloze start zijn eigen niche gevonden: middelgrote Nederlandse bedrijven, bij voorkeur met een waarde tussen de 50 miljoen en 200 miljoen euro. In de portefeuille zitten tegelfabriek Mosa, constructiebedrijf SIF – waarvoor inmiddels een koper wordt gezocht – maar ook wc-papierproducent Vendor en verhuurbedrijf Boemer.

De beginjaren zagen er heel anders uit. De eerste investering was niet in Nederland, maar in het buitenland: een belang van 9 procent in Vestas, de Deense wereldmarktleider in het bouwen van windturbines. Dat was met Visser meegekomen vanuit de private-equityportefeuille van MeesPierson. Vestas bezorgde Egeria zijn eerste klapper – net als Visser, die zoals gebruikelijk in de private-equitywereld als manager ook participeert. In april 1998 ging Vestas voor omgerekend ruim 366 miljoen euro naar de beurs. Egeria verkocht voor een kleine 20 miljoen euro de helft van zijn belang. Het hield de resterende 4,5 procent vast tot maart 2000, toen de koers bijna was verdrievoudigd.

Egeria deed in die tijd wel meer beurstransacties. Eind 2000 bracht het samen met investeringsmaatschappij HAL van de familie Van der Vorm een ongevraagd overnamebod uit op Ahrend, fabrikant van kantoormeubilair en handelaar in kantoorartikelen. Voor het eerst kreeg Egeria hiermee landelijke bekendheid.

Bestuur en commissarissen van Ahrend verzetten zich tegen het bod. Zij wilden juist fuseren met concurrent Samas. Zij beschermden hun eigen positie en Ahrend met juridische middelen. Maar de financiële vuurkracht van HAL en Egeria won. De beleggers kozen massaal voor het overnamebod van ruim 350 miljoen euro. Ahrend verdween van de beurs en werd in de jaren daarna opgesplitst. Het bedrijf maakte negen jaar lang deel uit van de portefeuille van Egeria. Gemiddeld stapt de investeerder na iets meer dan drie jaar uit.

In juni 2002 bleek Egeria, via de Luxemburgse zustermaatschappij Luxopart, een aandelenbelang te hebben opgebouwd in Stern, een autodealer die aan de Amsterdamse beurs is genoteerd. Egeria wilde Stern, tegen de zin van het management en samen met de grootste aandeelhouder, de NPM, van de beurs halen. Dat mislukte, waarna Egeria zijn aandelen via de beurs stilletjes van de hand deed.

In 2004 legt de familie Brenninkmeijer voor de tweede keer geld op tafel, voor een nieuw fonds. Visser en mededirecteur Jan Niessen, afkomstig van private-equityfonds CVC én net als Visser ex-MeesPierson, gaan ook de boer op om nieuwe geldschieters te werven voor het Egeria II fonds. Een van de nieuwe, externe geldschieters is Van Lanschot Bankiers. De bank stelt rijke klanten in staat mee te doen. Het is het begin van een innige relatie met de bank uit Den Bosch.

Het nieuwe fonds heeft 360 miljoen euro vermogen, waarvan de Brenninkmeijers 250 miljoen voor hun rekening nemen. De komst van de nieuwe geldschieter roept de vraag op: hoe onderscheidt Egeria zich op een overvolle private-equitymarkt?

Professionele geldschieters willen zich niet dagelijks bemoeien met het beleid, maar zij willen wel weten in welke categorie bedrijven hun geld wordt geïnvesteerd. Op die manier kunnen pensioenfondsen hun beleggingen spreiden.

Investeren in bedrijven en producten die mensen dagelijks nodig hebben, wordt het nieuwe credo. Na Stern waagt Egeria zich niet meer in de beursarena. De overnames van kleinere en middelgrote bedrijven bevallen beter, zoals koffiemaker Smit & Dorlas.

De jaren 2004-2008 zijn gouden jaren: de beurskoersen stijgen, pensioenfondsen ontdekken private equity en Peter Visser denkt hardop over internationale expansie, zoals grote financiers als het Britse 3i laten zien.

De gekozen doelgroep van goed geleide, succesvolle familiebedrijven blijkt enkele financiële duizendklappers te bevatten. Krokettenfabrikant Ad van Geloven (investering in 2005) en jachtenbouwer Van Lent (augustus 2006) worden in 2008 verkocht. Voor beide investeringen krijgt Egeria negen keer zijn inleg terug. De verkoopwinsten zijn de basis voor een superdividend over 2008, het jaar van de kredietcrisis, voor alle geldschieters van Egeria van 300 miljoen euro.

Ook de vijf managing partners van het fonds worden rijk: zij beleggen ook in de bedrijven waarin Egeria zit. In Van Lent hebben zij naar verluidt 4,5 miljoen euro ingelegd. Dat zou bij verkoop ruim 40 miljoen hebben opgeleverd.

De hoge rendementen op de kroketten en jachten helpen weer om geldschieters zover te krijgen om ook in het volgende fonds te investeren: Egeria III. Samen leggen zij 500 miljoen euro op tafel. Dat geld komt niet meer van de familie Brenninkmeijer. Die is met haar Britse investeringsmaatschappij Bregal Investments haar eigen weg gegaan, met medeneming van één deelneming. Eind vorig jaar nam Bregal het belang van 20 procent in Ahrend over van Egeria.

Het gros van het kapitaal in Egeria III komt uit eigen kring, want het fonds Egeria Investments, waarin wat uit Egeria I en Egeria II resterende investeringen zitten, hoestte 40 procent van de 500 miljoen euro op. Een bedrag van 100 miljoen komt via Van Lanschot. De bank richt een speciaal beleggingsfonds op, het Van Lanschot Egeria III Feeder Fund. Bankklanten kunnen meedoen vanaf 100.000 euro per persoon.

De selectie van de overige externe investeerders is streng. Het geld moet betrouwbaar en traceerbaar zijn. Geen snelle vastgoedmiljoenen. Vaststaat dat drie Nederlandse pensioenfondsen meedoen, waaronder die van Ahold en van Unilever, evenals een Amerikaans pensioenfonds en drie geldbeheerders (zogeheten funds of funds) die in een breed scala private-equityfinanciers investeren. Een van deze fondsen is het Britse Dunedin.

Verder investeren een stuk of acht vermogende families. Zij hoeven dat zelf niet te melden. Egeria is gebonden aan geheimhouding. Namen die in de financiële wereld genoemd worden, maar niet worden bevestigd, zijn de familie De Rijcke (miljardair geworden bij de verkoop van Het Kruidvat) en de familie Van Doorne (oprichtersfamilie van DAF; nazaat Caroline Huyskes-Van Doorne is partner bij Egeria). Zij zouden met hun investeringsvehikels De Hoge Dennen en Vado participeren in Egeria III.

Vaststaat dat de familie Van Puijenbroek meedoet. Dat is opmerkelijk omdat deze van oorsprong Brabantse textielfamilie al jarenlang grootaandeelhouder van De Telegraaf is. Via Egeria III is zij nu indirect mede-eigenaar van NRC Media. Vorig jaar haakte het Telegraaf-concern in een vroegtijdig stadium af in de biedingsstrijd om deze concurrent. De Van Puijenbroeks hebben 5 miljoen euro in Egeria III gestoken.

De familie Visser doet ook zelf mee. Via Brentux BV laat de Egeria-directeur zijn nog studerende zonen participeren.

Bij het opzetten van investeringsfonds III werkt Egeria nauw samen met specialisten, waaronder een firma die geldschieters werft (Acathus Advisors). De Britse firma O’Melveny & Myers ontwerpt de fiscale structuur: een partnership op Guernsey voor de niet-Nederlandse beleggers en een aparte coöperatieve vereniging voor de Nederlandse beleggers.

Het Egeria III-fonds heeft, na een trage start, inmiddels drie investeringen gedaan: NRC Media, tv-zender Het Gesprek (die voor 20 procent weer meedoet in NRC) en sinds begin vorige maand uitvaartverzekeraar Axent, die voor 212 miljoen euro van Aegon werd gekocht. De belangstelling voor verzekeringsbedrijven neemt toe bij Egeria. In 2007 nam ze al, opnieuw samen met HAL, verzekeraar Nationale Borg van ING over. Vorig jaar liep een oud-manager van Univé bij Egeria rond om een bedrijfsplan op te stellen voor een nieuw te vormen verzekeraar.

De ongeveer dertig verschillende investeerders in Egeria III hebben heel beperkte invloed op de keuze van de investeringen. Het model van een private-equityfonds is in hoge mate gebaseerd op vertrouwen. Hier houden De Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten geen toezicht.

Deelnemers leggen geld in op basis van vooraf gestelde criteria, zoals omvang, sectoren, zeggenschapsverhoudingen en tijdshorizon. Vervolgens geven zij het management van Egeria mandaat voor de daadwerkelijke beleggingen. De participanten in Egeria stappen met hun miljoenen zogezegd in een black box, in de hoop dat bij de uitgang een nog grotere pot met geld te wachten staat.