Dus werd Papadag belangrijker dan Prinsjesdag

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het publieke leven versus het gezinsleven.

Ondanks de sprong in de peilingen van de PvdA kan ook het CDA een beetje tevreden terugkijken op vorige week: het gezin blijkt inderdaad de hoeksteen van de samenleving. Een dag nadat Camiel Eurlings – vaak genoemd als potentiële opvolger van CDA-leider Jan Peter Balkenende – zijn politieke carrière inruilde voor familie en vriendin, kondigde ook PvdA-voorman Wouter Bos zijn vertrek uit Den Haag aan om meer tijd te kunnen doorbrengen met zijn vrouw en kinderen.

In de manier waarop Bos dat deed, schuilde wel enige ironie. Zijn afscheidsspeech begon met een opsomming van de enorme problemen waarvoor de samenleving zich op dit moment ziet gesteld: de economische crisis, de werkloosheid, de vergrijzing, het tekort aan duurzame energie en de verdeeldheid langs culturele, etnische en religieuze scheidslijnen.

Die problemen, zei Bos, betekenen dat er „vooral nu behoefte is aan een politiek die de kracht van samenwerking, eenheid en solidariteit centraal stelt” – om direct daarna zijn vertrek uit diezelfde politiek juist met privébelangen te motiveren. „Als ik door zou gaan, zie ik mijn eigen kinderen niet opgroeien. Dat is het mij niet waard”, verklaarde hij. Een cynische luisteraar hoorde Bos daarmee niet alleen afscheid nemen van de politiek, maar ook van de boodschap die hij zojuist had uitgesproken.

Toch kreeg de PvdA-leider vooral begrip en zelfs lof toegezwaaid. Premier Balkenende zei de beslissing goed te begrijpen: „Het vak van politicus kan buitengewoon zwaar en intensief zijn. (…) Daardoor vraagt het veel opofferingen van je gezin.” Het vertrek van Bos en Eurlings werd door sommigen zelfs geduid als het begin van een vierde emancipatiegolf, waarin steeds meer mannen hun werk ondergeschikt maken aan hun rol als vader of partner. Op de vraag of Bos nu niet op een belangrijk moment wegloopt, antwoordde PvdA-voorzitter Mariëtte Hamer dan ook gedecideerd: „Wij zijn altijd de partij van de emancipatie geweest – van vaders die de zorg voor hun kinderen op zich nemen. Dus dat zou het laatste zijn waar wij commentaar op moeten hebben.”

De reacties geven aan hoezeer de rol van de man in de samenleving is veranderd. Zestig jaar geleden zou het nog praktisch ondenkbaar zijn geweest dat een man het gezinsleven boven zijn werk had gesteld – laat staan dat een politicus het vaderschap zou verkiezen boven het ministerschap. Ook dat laatste is veelzeggend. Het vertrek van Eurlings en Bos is niet alleen van emancipatoire betekenis, maar laat bovendien zien dat het privéleven niet meer als vanzelfsprekend ondergeschikt is aan het publieke belang. De rollen die iemand als privépersoon vervult – ouder, echtgenoot, vriend – worden op z’n minst als gelijkwaardig beschouwd aan het publieke ambt, of zelfs belangrijker gevonden.

Wie bekend is met het werk van de Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt (1906-1975) weet dat aan die opvatting een lange filosofische geschiedenis vooraf is gegaan. In het essay The Public and Private Realm uit haar boek The Human Condition (1958) zet Arendt die geschiedenis nauwgezet uiteen.

Het onderscheid tussen het publieke (‘de politiek’) en het private (‘de familie’) werd ruim 2.400 jaar geleden voor het eerst gemaakt door de Oude Grieken, ook al werd het wel heel anders begrepen dan tegenwoordig. De publieke sfeer (‘koinon’) en privésfeer (‘idion’) werden namelijk niet slechts als verschillend en gescheiden beschouwd; nee, in het Griekse denken waren ze zelfs volledig tegengesteld aan elkaar – in betekenis en waarde.

Het private was daarbij in alle opzichten inferieur aan het publieke. Dat de mens leefde in familie- of gezinsverband werd namelijk gezien als iets wat hij gemeen had met de dieren, voortkomend uit de noodzaak om te overleven. Het privédomein werd daardoor sterk geassocieerd met het ‘ondergeschikte’ en het ‘onvrije’, waar de mens slechts in verkeerde omwille van zijn onmiddellijke levensbehoeften, aldus Arendt. Het voorzien in die behoeften was dan ook uitsluitend voorbehouden aan de minderwaardigen in de maatschappij: vrouwen en slaven.

Het vermogen om politiek te bedrijven werd daarentegen juist beschouwd als dé eigenschap die het menselijke bestaan van het dierenrijk onderscheidde (Aristoteles definieerde de mens zelfs als „politiek dier”). De publieke sfeer was daarom ver boven het persoonlijke en alledaagse verheven en werd gelijkgesteld aan het ‘hogere’ en het ‘vrije’. Het gezinsleven stond als het ware in dienst van de politiek: functioneerde zij naar behoren, dan stelde dat de man in staat boven het alledaagse uit te stijgen en aan het publieke domein deel te nemen – de enige plek waar hij werkelijk vrij kon zijn. Het idee dat iemand zijn deelname aan het publieke leven zou willen verruilen voor het gezinsleven, zou dus absurd gevonden zijn – vergelijkbaar met het vrijwillig terugkeren naar een gevangenis.

Door de opkomst van het christendom verloor deze hiërarchische tegenstelling tussen publiek en privé echter haar betekenis, stelt Arendt. Familie en gezin werden in de christelijke doctrine niet als een minderwaardige, maar juist als superieure en meest natuurlijke organisatievorm van menselijke relaties beschouwd. Tot aan de Middeleeuwen verdween het idee van een publieke sfeer, waar het ‘algemene belang’ werd nagestreefd, dan ook grotendeels uit het maatschappelijk bewustzijn: samenleven beperkte zich tot de familie. Uiteindelijk groeide het gezinsverband zelfs uit tot voorbeeld waarnaar de samenleving moest worden gemodelleerd. De maatschappij werd als een spiegel van de familie beschouwd – met ‘Vadertje Staat’ aan het hoofd.

Niet alleen steeg het privédomein daardoor enorm in aanzien, ook het onderscheid tussen publiek en privaat vervaagde: het gezin was immers een gepolitiseerd begrip geworden (vandaar: ‘hoeksteen van de samenleving’). De term ‘politieke economie’ zag zo het levenslicht. Die term zou door de Oude Grieken nog als een contradictio in terminis zijn beschouwd, omdat datgene wat de mens hielp te overleven (het economische) volledig werd toegeschreven aan het private en dus niet-politieke domein. Maar door het christelijke gedachtengoed werd het private politiek: het verbeteren van het alledaagse leven werd de hoofdopdracht van de politicus, aldus Arendt. De politiek kwam dus in dienst te staan van het gezin in plaats van andersom. Zo verloor de publieke sfeer definitief haar verheven status.

In praktische zin mag er tegenwoordig dus een grote kloof gapen tussen publiek en privé (het politiek ambt is zo veeleisend dat het nauwelijks te combineren is met een gezin), in filosofische zin is die kloof nog nooit zo klein geweest. Het algemene belang en het eigenbelang staan op gelijke voet met elkaar: er wordt niet vreemd opgekeken als een bestuurder of politiek leider ‘voor zichzelf’ kiest en meer tijd wil besteden aan ‘zijn eigen leven’. De betekenis van beide sferen is ten opzichte van tweeduizend jaar geleden dus volledig omgedraaid. Beschouwden de Oude Grieken het gezinsleven juist als opgelegde last, waaraan men moest ontsnappen om ‘vrij’ te kunnen zijn, tegenwoordig is juist het publieke ambt een drukkende verplichting waaraan men zich moet onttrekken om ‘vrij’ te kunnen zijn.

Die ommezwaai is wel begrijpelijk. Door de explosief gegroeide welvaart en de opkomst van het moderne individualisme is de kwaliteit van het privéleven de afgelopen honderd jaar namelijk zo sterk verbeterd dan ze nagenoeg onvergelijkbaar is met vroeger. Dat de Oude Grieken het publieke leven zo bejubelden, heeft zeker te maken met het feit dat het privéleven zo armoedig en zwaar was dat het nauwelijks de moeite waard leek; alleen het politieke bood de mogelijkheid tot zingeving en werd dus vereenzelvigd met ‘het goede leven’. Met de hedendaagse levensstandaard is dat idee achterhaald geraakt.

De vraag is alleen of het niet té achterhaald is geworden. Want waarom zouden burgers zich solidair verklaren met de samenleving en zich betrokken voelen bij de publieke zaak als zelfs de politici die hen daartoe oproepen voorrang geven aan hun eigen leven?

In de keuze van Wouter Bos en het begrip dat ervoor getoond werd, toont zich de paradox van de vooruitgang die onze samenleving heeft geboekt: het privébestaan is inmiddels zo veilig, comfortabel en welvarend geworden dat toewijding aan het publieke goed al snel als een te groot offer wordt gezien. Wie dat de Oude Grieken had verteld, was nooit geloofd.