Vangnet voor Athene

Heel langzaam worden de contouren zichtbaar van het vangnet dat de gezamenlijke eurolanden eventueel gaan spannen voor Griekenland. Volgens premier Juncker van Luxemburg, voorzitter van de zestien staten tellende eurogroep, zal het zover vermoedelijk niet komen. Maar mocht Griekenland, dat komende maanden al 20 miljard euro moet herfinancieren, in nood komen, dan ligt er een plan klaar.

De details van het pakket, dat de ministers van Financiën van de eurozone gisteren in Brussel hebben besproken, zijn vaag gebleven. Deze geheimzinnigheid is begrijpelijk.

Ten eerste moet in Athene de druk op de ketel blijven. De Griekse regering van de socialistische premier Papandreou wil het begrotingstekort van circa 13 procent terugdringen door bijna 5 miljard te bezuinigen. Het is niet de bedoeling dat Papandreou voortijdig door de knieën gaat voor het straatprotest tegen deze saneringen in Griekenland.

Ten tweede is er een politiek motief. De burgers in relatief stabiele eurostaten als Duitsland of Nederland mogen niet de indruk krijgen dat zij moeten meebetalen aan de redding van de Grieken die, als het gaat om overheidsfinanciën, al een decennium boter op hun hoofd hebben. De rente die Griekenland moet betalen over eventuele noodleningen, zal zo hoog zijn dat het de crediteuren niets kost en Papandreou aanmoedigt om er zo min mogelijk gebruik van te maken.

Ten derde moet voorkomen worden dat een ingreep hedgefondsen of speculanten op een idee brengt. Want lawinegevaar dreigt. Niet alleen de kredietwaardigheid van Griekenland of Portugal staat op het spel. Ook de status van ooit onbesproken staten is aan de orde. Zo heeft kredietbeoordelingsbureau Moody’s Investors Service laten doorschemeren dat zelfs de VS en Groot-Brittannië hun triple A rating, de hoogst denkbare, niet meer per definitie zeker zijn.

Maar met het besluit dat de eurozone ten principale bereid is in het krijt te treden voor de zwakste broeders in de groep, is het laatste woord allerminst gezegd. Binnen de westerse wereld worden meningsverschillen over het beste beleid manifest. Zo wordt Duitsland verweten dat het te spaarzaam is. De exporterende motor van de euro zou, zo wordt vooral in Angelsaksische kring benadrukt, minder gefixeerd moeten zijn op matiging en meer moeten consumeren.

Deze kritiek neemt de laatste tijd zo’n vlucht dat het erop lijkt dat er een campagne op gang is gekomen om Berlijn tot een trendbreuk te dwingen. Want daar zou het wel op neerkomen als Duitsland afstand zou nemen van zijn spaarzame monetaire traditie.

Zover moet het niet komen. Als het Griekse demasqué één ding heeft geleerd, dan is het dat de overheid haar schatkist op orde moet hebben en zich niet uit de recessie moet proberen te consumeren. In die zin is het goed dat de eurogroep Griekenland alleen te hulp schiet als daar ingrijpende saneringen tegenover staan. Met elk ander besluit zou Duitsland worden vervreemd van de gezamenlijke munt en wordt het paard onverantwoord achter de wagen gespannen.