Uit de database blijkt dat Max de boef zal worden

De beroemdste politieman van de VS helpt de regering bij het uitwerken van een revolutie in het politiewerk: misdaad voorspellen.

Maar er is ook kritiek.

Bill Bratton (63) had er al een stevige carrière opzitten. Sinds de jaren tachtig leidde hij de politie in Amerika’s moeilijkste steden – Boston, New York en, tot eind vorig jaar, Los Angeles. Hij liet een erfenis na die twintig jaar terug ondenkbaar leek: overal waar hij werkte ging de stijgende criminaliteit over in een spectaculaire daling. Zijn aanpak werd wereldwijd overgenomen.

Maar Bratton – ‘the chief’ – is nog niet klaar. Op de Amerikaanse universiteit Harvard werkt hij in een projectgroep aan nieuwe methoden voor de politie. In 2008 steunde hij de presidentscampagne van Barack Obama, nu houdt hij voor Obama’s regering toezicht op zes projecten waarin zijn toekomstideaal wordt uitgeprobeerd.

Het heet voorspellend rechercheren, predictive policing: de politie slaat zoveel persoonlijke gegevens over burgers op in de computer dat ze voortaan kan voorzien waar en door wie een misdaad zal worden gepleegd. De ‘chief’ is er zo druk mee dat hij de afspraak met deze krant op een laat moment omzet in een telefonisch gesprek. Maar „je krijgt alle tijd die je nodig hebt’’, zegt hij in het vette Italiaans-Amerikaans van zijn geboortestad Boston.

Voorspellend rechercheren borduurt voort op een werkwijze die Bratton in New York en Los Angeles al introduceerde. Hij geeft een voorbeeld. In The Bronx speelt een jongetje met een pistool op de stoep. Een oudere man passeert, het jongetje schiet per ongeluk, de man schiet terug en ontkomt. Getuigen kunnen later alleen reproduceren dat de schutter een tatoeage – ‘I love you’ – op zijn onderarm had.

Een paar jaar geleden, vertelt Bratton, duurde het dagen, soms weken, voordat de politie in zo’n geval de identiteit van de verdachte achterhaalde. Nu is het een kwestie van minuten: de korpsen van New York en Los Angeles beschikken door zijn toedoen over real time crime centers, databanken waarin de intieme persoonsgegevens – zoals tatoeages – van miljoenen burgers zijn opgeslagen. „Daarin kan de politie terugvinden dat er in New York zo’n vijfhonderd mensen zijn die een variant van ‘I love you’ op hun lichaam hebben getatoeëerd. Dan ben je er al bijna. Na wat afstrepen – leeftijd, huidskleur – weten we wie we moeten hebben.’’

En „het opwindende’’ is volgens hem dat de politie diezelfde databanken ook kan gebruiken om in de toekomst te kijken. Hij noemt het openbaar onderwijs in Chicago. Dat gaat gebukt onder een schrikbarend hoog moordpercentage. De supervisor, een oud-politiecommissaris, besloot de persoonsgegevens van alle vermoorde leerlingen van de laatste jaren in een databank te stoppen voor een slachtofferprofiel. „Zodoende kon hij een lijst van vijfhonderd studenten samenstellen die het risico lopen dat ze ook vermoord worden. Hij weet nu waar de politie moet zijn, op wie zijn agenten moeten letten. Het is onduidelijk of het werkt, want dit is een proefproject, maar ik voorzie dat dit de toekomst van de politie is.’’

Sommige proeven zijn al geslaagd. „We hebben bijvoorbeeld elektronische kaarten waarop live wordt bijgewerkt waar criminaliteit plaatsvindt. Laatst gebeurde het in Illinois dat een kleine stad werd getroffen door een serie overvallen. De politiechef keek op zijn kaart en zag in één oogopslag waar het volgende doelwit lag.”

De werkwijze is een verfijning van zijn successen in Boston, New York en Los Angeles. „De essentie is dat de politie razendsnel reageert op criminaliteit. De politie moet er altijd zijn – in de buurt, onder de mensen. Vooral in arme wijken is het van belang dat burgers de politie als partner zien, niet als onderdrukker. En als er iets is gebeurd, slaan we alles op: het soort misdaad, de omgeving, het recidivisme, persoonskenmerken van slachtoffer en dader. Vervolgens blijf je de wijk in de gaten houden, zoals een arts die een kankerpatiënt heeft geopereerd: die controleert ook regelmatig of de ziekte niet terugkeert.’’

Met dit soort gegevens bouwde Bratton in New York Compstat op, de misdaaddatabank die nu de basis vormt van het politiewerk in de meeste Amerikaanse steden. „Compstat is de reden dat we overal een dalende misdaadtrend kunnen laten zien. En daarmee kunnen we nu de slag naar het voorspellende politiewerk maken.’’

De aanpak heeft volgens critici enkele gitzwarte bijeffecten. Het kan alleen werken, zeggen ze bijvoorbeeld, als de politie in staat wordt gesteld kolossale hoeveelheden data over onschuldige burgers te verzamelen en deze nooit vernietigt. Columnist Bob Herbert van The New York Times voert er momenteel campagne tegen.

Hij liet onlangs zien dat van de 2,7 miljoen mensen die de politie de afgelopen zes jaar in New York staande hield, bijna 90 procent niets onwettigs had gedaan. Volgens hem ondervraagt de politie ze alleen om haar databanken up-to-date te houden, en moeten Afro-Amerikanen, latino’s en armen relatief vaker informatie afgeven.

Bratton is niet onder de indruk. „Ik heb ook een keerzijde: we redden hier levens mee. Als privacybeschermers hun zin hadden gekregen, zouden we zelfs geen openbaar cameratoezicht hebben gehad. Ik weet zeker dat het privacydebat opnieuw begint als het voorspellend rechercheren in het hele land wordt overgenomen. Maar de juridische grondslag is sterk. En we hebben de steun van het publiek zolang onze aanpak effectief is: minder slachtoffers, minder moorden.”

Er zijn andere critici. Zij zeggen dat Brattons aanpak lijkt op de bonuscultuur van Wall Street: districtchefs die met hun korpsen lagere misdaadcijfers lieten zien, kregen promotie. Onlangs kwam onderzoek naar buiten waarin oud-collega’s in New York zeggen dat deze districtchefs misdaadcijfers manipuleerden, omdat Bratton reducties eiste.

Bratton noemt het „op zichzelf mogelijk” dat mensen te rooskleurige cijfers gaven. Maar op grote schaal kan het volgens hem niet gebeurd zijn. „Iedereen die het systeem probeert te manipuleren, heeft hulp van anderen nodig: niemand kan in zijn eentje de misdaadcijfers bijhouden. Zelf roteerde ik districtchefs om de twee jaar. En hun opvolgers zouden natuurlijk hebben geklaagd als ze misdaadcijfers erfden die ze niet konden verbeteren.’’

Eén schaduwzijde van zijn succes beaamt Bratton: door de groei van het aantal gedetineerden de afgelopen twintig jaar is de situatie in Amerikaanse gevangenissen nu erbarmelijk. „Er zitten te veel mensen vast die beter af zouden zijn als ze buiten de gevangenis hun straf uit zouden zitten: drugsgebruikers, jongeren, mensen met psychische problemen. Maar dat is niet makkelijk op te lossen. De mentaliteit in de jaren tachtig en negentig was: sluit ze op, verder zien we wel. Nu we begrijpen dat dit tot ongewenste situaties leidt, hebben we het geld niet meer voor een snelle oplossing.”