Politiek bestel loopt op zijn laatste benen

Om te voorkomen dat ons land een verlammende fase ingaat, zijn institutionele wijzigingen nodig, meent Marnix van Rij. Sluit de PVV hierbij niet uit.

Het overlijden van Hans van Mierlo markeert het einde van een tijdperk, maar is ook het begin van een nieuwe politieke lente. Als oprichter van D66 heeft hij generaties politici geïnspireerd, ook buiten zijn partij. De analyse van 1966 heeft in 2010 nog steeds actualiteitswaarde. Alvorens daarop in te gaan, wil ik eerst stilstaan bij enkele waarnemingen uit de jaren negentig.

Tot mijn verbazing liet D66 tijdens het eerste paarse kabinet (1994-1998) de noodzakelijke hervorming van ons politieke en staatkundige bestel liggen. Opmerkelijk, omdat juist de verkiezingsuitslag van 1994 had laten zien dat de gevestigde partijen, met name CDA en PvdA, de ankers in de samenleving waren kwijtgeraakt. Met het paarse kabinet had D66 de eigen raison d’être kunnen verzilveren. Daarmee geschiedenis schrijvend in een dimensie die gelijk had kunnen staan aan die van Thorbecke (1848) of Cort van der Linden (1917). Kennelijk werd de sense of urgency nog onvoldoende gevoeld, hoewel elders in Europa het partijenstelsel in een andere parlementaire democratie (Italië) op dat moment al implodeerde.

In het CDA is het mij als partijvoorzitter (1999-2001) slechts ten dele gelukt om voorstellen van partij- en staatkundige vernieuwing doorgevoerd te krijgen. Zo haalde slechts het idéé over een ander kiesstelsel het verkiezingsprogramma van 2002, zij het in afgezwakte vorm: een onderzoek naar een gemengd kiesstelsel. Het kabinet-Balkenende II heeft dat onder leiding van D66-ministers voor Bestuurlijke Vernieuwing helaas niet tot wasdom kunnen brengen. Gedurende acht jaar regeringsverantwoordelijkheid (2002-2010) heeft het CDA een dure kans laten liggen om leiding te geven aan de noodzakelijke hervorming van onze (parlementaire) democratie. Als de schijn niet bedriegt, gaat het CDA hier bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen een hoge tol voor betalen.

De turbulente politieke gebeurtenissen van de afgelopen tijd tonen aan dat ons huidige politieke bestel nu echt op zijn laatste benen loopt. Sinds begin jaren zestig is er wezenlijk niets veranderd aan dat bestel. Dat kunnen de gevestigde partijen (CDA, PvdA, VVD en D66) zich allemaal aanrekenen. Ondanks meerdere waarschuwingen door de kiezers (met name in 1994 en 2002) hebben deze partijen niet het leiderschap getoond om een perspectief te schetsen voor die onrust en dat onbegrip onder de kiezers. Eenmaal terug in de macht, zoals D66 in 1994 of het CDA in 2002, wordt vergeten hoe belangrijk het was om in de oppositie verkerend de aansluiting met de kiezers te hervinden. In de macht lijkt het vooral te gaan om het behoud daarvan en het versterken van het eigen imago. Steeds grotere groepen kiezers hebben daar genoeg van. Niet dat zij zelf weten hoe het precies moet, maar zij geven wel uiting aan hun ongenoegen, hoe ongenuanceerd ook.

Dat bood ruimte aan populistische bewegingen, zoals Lijst Pim Fortuyn en Trots op Nederland die overigens net zo snel opkomen als neergaan. Onder die categorie zou ik de Partij voor de Vrijheid niet (meer) willen plaatsen. Ik ben het eens met degenen die beweren dat de PVV in de regel geen oplossingen biedt voor de problemen in ons land. Maar dat geldt niet voor het onderwerp staatkundige vernieuwing. Daar liggen PVV en D66 verrassend dicht bij elkaar. Met degenen die beweren dat PVV helemaal geen verantwoordelijkheid voor het lands- of stadsbestuur wil dragen, ben ik het niet eens. Dat zal eerst moeten blijken. De uitsluiting van de PVV in Den Haag, maar ook de uitsluiting van Leefbaar Rotterdam door de PvdA is een historische vergissing.

Om te voorkomen dat ons land een verlammende fase ingaat, waarin het politieke bestel helemaal versplintert, zijn er institutionele wijzigingen nodig. Daar zou de steun van de PVV weleens grondwettelijk voor nodig kunnen zijn.

Het CDA heeft niet veel tijd meer en zal duidelijk moeten kiezen in het komende verkiezingsprogramma. Met steun van VVD, D66, GroenLinks, PVV en wellicht de PvdA, SP en ChristenUnie moet het na de verkiezingen kunnen lukken om ten minste de volgende wijzigingen in onze Grondwet en Kieswet door te voeren:

een rechtstreeks gekozen minister-president

een gemengd kiesstelsel met twee stemmen, één op een persoon en één op een partij ( à la het Duitse kiesstelsel)

een rechtstreeks gekozen burgemeester in de grote steden (>100.000 inwoners)

Met deze voorstellen schaar ik mij achter diegenen die menen dat verticaal leiderschap gelegitimeerd door een rechtstreeks mandaat van de kiezers een hoogstnoodzakelijke investering in de democratie is (Frank Ankersmit, Opinie & Debat, 13 maart). Alleen zo kan het vertrouwen van de burger in de politiek worden hersteld. Voor zo’n omvangrijke constitutionele operatie hebben wij acht jaar nodig en een draagvlak van 2/3 van de straks gekozenen in de Tweede (2010) en de Eerste Kamer (2011). Hoe diep moeten wij nog zakken voordat de ogen echt open gaan?

Marnix van Rij was van 1999 tot 2001 voorzitter van het CDA.