Hof: vergoeding voor opleiding voetballers mag

Voetbalclubs mogen een vergoeding blijven vragen als een door hen opgeleide jonge speler wordt aangetrokken door een andere club. Dat heeft het Europees Hof van Justitie vanochtend bepaald in de zaak van de Franse voetbalclub Olympique Lyon tegen de oud-voetballer Olivier Bernard. Het Hof oordeelde dat het belang van het opleiden van jeugdvoetballers het systeem van vergoedingen rechtvaardigt.

In de voetbalwereld werd gevreesd dat de rechters in Luxemburg de regeling in strijd zouden achten met het recht op vrij verkeer van werknemers in de Europese Unie. Dat zou de macht van de rijke clubs in grote voetballanden hebben vergroot, omdat zij dan eenvoudiger talenten uit landen als Nederland en Frankrijk zouden kunnen aantrekken. Nu kan een club een schadevergoeding tot 90.000 euro per jaar voor maximaal negen opleidingsjaren eisen als een speler voor zijn 23ste naar een andere club verhuist. In dat bedrag zijn ook de opleidingskosten van spelers die niet worden verkocht opgenomen. De kosten voor een individuele speler liggen veel lager, maar het Hof vindt het huidige systeem redelijk.

De Franse regel die aanleiding was voor de rechtszaak tussen Lyon en Bernard is volgens het Hof niet noodzakelijk om de opleiding van jonge spelers aan te moedigen en daarom in strijd met het recht op vrij verkeer. Verdediger Bernard had in 2000 aan het einde van zijn contract als ‘belofte’ op basis van die regel een contract bij Lyon moeten tekenen. Bernard weigerde en vertrok naar het Engelse Newcastle United, waarop Lyon een schadevergoeding eiste.

Belangrijker was dat in de rechtszaak ook het transfersysteem in het Europese voetbal voor de eerste keer sinds het Bosman-arrest ter discussie werd gesteld. Die uitspraak van het Hof in 1995 leidde tot een grote stijging van de transfersommen en een toestroom van buitenlandse voetballers in de Europese competities.