En dan dacht ik: jij hebt het fijn bij de Pinkeltjes

De afgelopen maanden had ik allerlei alternatieve scenario’s bedacht. ‘Wat als we nou ieder vier uur per dag voor hem zorgen, en dat de ander dan gauw gaat werken?’ ‘Wat als we een oudercommune oprichten en een kleurig zaaltje huren, en dan om de beurt op tien baby’s tegelijk passen?’ ‘Wat als ik nou stop met werken, of jij? Dan hoeft hij niet naar de crèche.’

Maar hoe goed die ideeën me ook leken, elke keer kwamen we erop uit dat de crèche toch beter was. Voor ons, en voor ons zoontje. Voor ons omdat we dan niet met harige mensen in een commune hoefden te gaan wonen. En voor ons zoontje omdat hij, kijkend door de spijlen van de crèchebox, de nodige levenslessen kon leren van door de wol geverfde peuters die al soepstengels konden eten en vingerafdrukken op ramen konden maken.

Ervaren ouders in mijn omgeving spraken alsmaar dezelfde geruststellende woorden. „Het kind hoeft niet te wennen aan de crèche. De moeder, die moet wennen!” En dan vertelden ze lacherig over al die prille moeders die schokschouderend stonden te huilen op de stoep van de kinderopvang, terwijl hun baby’s binnen ontspannen over de grond rolden en bacillen oplikten alsof ze er al hun hele leven woonden.

Gisteren was het zo ver. Crèchedag 1: de Wendag. „Ik ga wennen aan de crèche”, zei ik steeds met angstige zelfspot. We leverden Benjamin af. Dat ging goed. We gingen weg. Dat ging ook goed. Ik stapte op de fiets. Ik ging naar een afspraak. Ik at een boterham. Ik checkte mijn e-mail. Ik keek af en toe naar een foto van hem op mijn telefoon. En dan dacht ik: jij hebt het fijn bij de Pinkeltjes.

En ik huilde niet. Was dit wel normaal? Of was ik ontaard? Met een hart van steen? Nee, zei ik tegen mezelf. Je bent gewoon een ontspannen moeder. Die bestaan, schijnt.

Vier uur later ging ik hem halen. De wentijd zat erop.

Een brullende Benjamin trof ik aan, in de armen van de leidster. Hij had alle Pinkeltjes bij elkaar geschreeuwd. Urenlang. Hij was rood en warm. Zijn drie haartjes plakten op zijn hoofd. Zijn fontanel ging woedend op en neer. Toen hij mij zag, ging hij nog iets harder huilen.

Al die ouders hadden tegen me gelogen. De moeder moest niet wennen, maar het kind wel. En dat was veel, veel erger.