Celibaat niet de enige verklaring voor misbruik

Vanaf de jaren vijftig werd in rooms-katholieke kring druk gedebatteerd over de waarde van seksualiteit.

Het misbruik moet ook in dit licht worden bezien.

Vorige week besloot de Nederlandse bisschoppenconferentie tot een onafhankelijk onderzoek naar de beschuldigingen van seksueel misbruik door katholieke geestelijken in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Dat is in de eerste plaats belangrijk voor de slachtoffers. Eindelijk hebben zij zicht op erkenning van het leed dat hun is aangedaan.

Tegelijkertijd is het onderzoek belangrijk voor de Kerk. Deze verkeert in publicitair zwaar weer. Een gedegen onderzoek kan het overheersende beeld van wellustige paters die zich en masse aan onschuldige kinderen vergrepen, wat corrigeren.

Vaak wordt gewezen op het celibaat als verklarende factor. Maar dat is veel te gemakkelijk. Uiteraard zal het celibaat een rol gespeeld hebben. Veel belangrijker is echter het tot nu toe te weinig geconstateerde feit dat vrijwel alle beschuldigingen gaan over misbruik in internaten. De machtsverhoudingen die daar gangbaar waren, de geslotenheid en het veelvuldig contact tussen docenten en studenten, dit alles heeft een grotere verklarende kracht dan het celibaat. Misbruik kwam ook veelvuldig voor op Britse kostscholen en bij de padvinderij.

Daarnaast moet gewezen worden op de veranderende wijze waarop in katholieke kring juist in de jaren vijftig en zestig met seksualiteit werd omgegaan. De katholieke leer op dit punt was van oudsher helder: alle seksueel contact buiten het huwelijk was verboden en seksualiteit binnen het huwelijk was slechts gericht op het voortbrengen van nageslacht.

Deze opvatting werd in de late jaren vijftig echter bekritiseerd. In talloze katholieke periodieken werd uitgebreid gedebatteerd over de waarde van seksualiteit. In dit debat braken pedagogen en psychologen een lans voor de ontkoppeling van voortplanting en seksualiteit. Zij pleitten voor een gezond seksueel leven als een belangrijk onderdeel van de ‘liefdevolle ontmoeting’ tussen echtelieden en verdedigden, zij het heel voorzichtig, de toepassing van geboortebeperking. Dit debat bleef niet beperkt tot vaktijdschriften, maar waaierde uit over een veelvoud van katholieke periodieken en bereikte via kranten, radio en televisie een aanzienlijk aantal katholieke gezinnen.

De constatering dat in katholieke kring in de jaren vijftig en zestig in het geheel niet gesproken werd over seksualiteit is dus onjuist. Turven wijst uit dat in sommige tijdschriften seksualiteit maar liefst in de helft van alle stukken ter sprake kwam. Twee hoofdrolspelers uit deze debatten danken er tot op heden hun bekendheid aan. Aan de psychiater Kees Trimbos, die met zijn causerieën voor radio en televisie een hele generatie katholieken inwijdde in de wereld van de seksualiteit, bewaren veel oudere katholieken warme herinneringen. Dat geldt evenzeer voor bisschop Willem Bekkers van ’s-Hertogenbosch die in 1963 op televisie verklaarde dat het toepassen van geboortebeperking een zaak was voor het individuele geweten van gelovigen.

De aandacht voor seksualiteit in katholiek Nederland in de jaren vijftig en zestig was een ander soort aandacht dan vandaag de dag. De causerieën van Trimbos zouden nu opzien baren vanwege het paternalistische taalgebruik. Toentertijd werden zij echter erkend als taboedoorbrekend, juist ook door priesters. Toen Trimbos al in 1955 in een Nederlands priestertijdschrift wees op de gevaren van het celibaat voor de geestelijke gezondheid van de priester, sloeg dat in als een bom. Hier was iemand met kennis van zaken aan het woord!

De langzaam veranderende opvattingen over seksualiteit in katholieke kring vanaf de late jaren vijftig hadden hun weerslag op de waardering van het priestercelibaat. De Franse historicus Martine Sevegrand wees erop dat het celibaat vanaf het begin van de jaren zestig onder druk kwam te staan, mede door het feit dat seksualiteit niet langer gezien werd als zondig, aards en slechts gericht op het krijgen van kinderen. Juist het uittreden van veel priesters vanaf 1965 zou volgens haar te verklaren zijn uit de spanning die dit opleverde.

Wellicht geldt hetzelfde voor het seksueel misbruik dat nu in de openbaarheid gekomen is. Juist in katholieke internaten werden bedoelde tijdschriften veelvuldig gelezen. Bijvoorbeeld het blad Dux, gericht op ‘allen die meewerken aan de vrije jeugdvorming in Nederland en België’, zal zeker binnen de orde der Salesianen, die zich met name richtte op het jeugdwerk, bekend geweest zijn. De paters zullen dus ook kennis genomen hebben van de vele artikelen en debatten over seksualiteit.

Het is nu aan de onderzoekers de rol hiervan bloot te leggen. Wim Deetman, door de bisschoppen aangewezen als voorzitter van de onderzoeksgroep, heeft aangekondigd met een onderzoeksplan te komen. Het zou goed zijn wanneer in dat plan ruimte is voor meer dan een soort strafrechtelijke toets van de geuite beschuldigingen. Beter is het te kiezen voor een breed opgezet onderzoek naar de wijze waarop in katholiek Nederland indertijd met seksualiteit werd omgegaan. Een dergelijk onderzoek plaatst het misbruik in internaten in perspectief en voorkomt het al te eenvoudige beeld van de celibatair levende mannen Gods die hun seksuele driften meenden te moeten botvieren op onschuldige kinderen.

Maarten van den Bos is als historicus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij een proefschrift voorbereidt over de ontzuiling van het Nederlands katholicisme.