Wat ze toverde in de pan

Titaantjes. Je bent zo gewend geraakt aan dat woord, of aan die titel eigenlijk, dat je helemaal niet meer opvalt hoe grappig het eigenlijk is. Reusjes. Gigantjes. Het woord voor iets wat groter is dan het gangbare weer verkleinen is eigenlijk iets wonderbaarlijks. Dat de taal dat kan. Het geluk van het diminutief, daar sta je maar af en toe bij stil. Veel talen kunnen dat niet: Little Titans of Petits Titans is lang zo leuk niet. Raar eigenlijk, en jammer voor sommige talen en hun gebruikers, dat niet elke taal een verkleinvorm heeft. Ook geen vergrootvorm, voor zelfstandige naamwoorden – wij kunnen niet een ‘vrouwes’ of iets dergelijks zeggen als we een grote vrouw bedoelen, we kunnen haar alleen maar verkleinen tot vrouwtje. Het Grieks bijvoorbeeld kan dat wel, vergroten. Er zijn vast nog wel meer talen die dat doen.

Maar dat mis je dan weer niet.

Maar ik dacht dus eigenlijk aan de Boekenweek, en aan die Titaantjes, en aan het eren van de titanen in de letteren. Eigenlijk ook een ironisch eerbetoon, want de Titanen werden, zoals bekend, verslagen door Zeus en zijn mede-olympiërs. Dus als je zegt dat de vorige generaties ‘Titanen’ waren, dan klinkt dat wel reuze respectvol, maar dan zeg je ook dat wij nu de olympiërs zijn, de moderne goden. En dat vinden we natuurlijk ook. Kloos is groot, maar wij hebben andere poëzie.

Hoewel er weinig dichters zijn aan wie ik zo vaak denk als aan Kloos. Soms, als je heel vroeg wakker wordt en het is nog donker, hoor je even een vogel fluiten en dan weer zwijgen. En dan denk ik altijd: „Zoo, als een vogel in de stille nacht,/ Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,/ En denkt ’t is dag, en heft het kopje en fluit// Maar eer ’t zijn vaak’rige oogjes gans ontsluit/ Is het weer donker”.

Ze waren wel vaak ernstig die dichters,van 1880 en het begin van de vorige eeuw. Alleen Dèr Mouw lijkt wat meer zelfrelativering en wat meer oog voor alledaagsheden te hebben. In zijn beroemde gedicht ‘’k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid’ is zelfs sprake van kookkunst. De onhandige man, van een generatie waarin mannen totaal niet in staat waren tot enige huishoudelijke arbeid, doet zijn best om wat in het huishouden bij te dragen nu er geen meid is, en gooit zijn eigen ‘vuilwater’ weg, nadat hij zijn gezicht gewassen heeft met water uit de lampetkan mogen we aannemen. Hij morst daarbij en spreekt over zijn ‘langverwende onpraktischheid’ die ‘zij’, zijn vrouw waarschijnlijk, ‘verwent met wat ze toverde in de pan’.

Wat zou dat geweest zijn? Verderop is sprake van een bordje havermout, maar dat kun je toch moeilijk toveren noemen.

Enfin. Deze worteltjes tover je zó uit de pan, man en vrouw, dichter en doener, en ze zijn ook nog heerlijk.

Verwarm de slagroom met de limoenschil, doe er wat peper en zout bij en laat een poosje trekken. Snij de winterwortelen in de lengte in vieren en snijd daar schuine stukken van, erg dikke stukken nog een keer in de lengte halveren.

Verwarm de olie, bak de knoflook er even in, doe de wortelen erbij, bestrooi ze met peper en zout en bak een poosje al roerend. Doe dan het gas laag en een deksel op de pan en laat ze vijf tot zeven minuten bakken tot ze wat zachter zijn. Giet de limoenroom over de wortelen, knijp er wat limoensap bij en laat de room inkoken. Heel smakelijk bij een visje.