Verhitte kop

Dus zo ziet de ontwikkeling van woede eruit.

In oktober 2005 trof ik een zeer jonge Ibrahim Afellay in de televisiestudio. Hij speelde als broekie mee in de hoofdmacht van PSV.

De bondscoach van toen, Marco van Basten, had hem op de longlist gezet. We spraken over de aanslagen die Afellay te verduren kreeg als hij een slalom over het veld maakte.

Afellay, toen: „Ik probeer er zo goed mogelijk mee om te gaan. Meestal denk je na een harde tackle: zal ik ’m terugpakken? Maar daar heb je alleen jezelf mee, of je hele team, je riskeert een gele kaart, misschien zelfs een rode. Dan is het belangrijk om rustig te blijven. Al probeer ik ten koste van alles te winnen op het veld.”

Op zijn gezicht stond een doodkalme blik. En zijn stem was rustig, een tikje te laag bijna voor dat slungelachtige lijf.

Afellay was nog een jongen; hij reisde elke dag met de trein van zijn woonplaats Utrecht naar Eindhoven. In de tweede klasse. Het liefst zat hij in de laatste coupé, hoefde hij zo min mogelijk te lopen. Alle energie sparen voor op het veld.

Zijn Marokkaanse moeder hield hem thuis voor: „Doe nou maar normaal, dan doe je al gek genoeg.”

Na enig doorvragen bleek er diep van binnen toch de angst te bestaan dat hij zich af en toe niet kon inhouden. Afellay vertelde dat hij slecht tegen zijn verlies kon. Als een spelletje Playstation voor hem verkeerd dreigde af te lopen, dan „brandde hij wel heel erg van binnen”.

In 2008 zag ik Afellay na afloop van een wedstrijd tegen Vitesse met een verhitte kop zijn gal spuwen over Ajax, Ajacieden en de hoofdstad: „Vier keer, Amsterdam, vier keer! Ze hebben daar altijd de grootste mond, maar prestaties ho maar. En dat terwijl wij vier keer op rij kampioen zijn geworden”, klonk het overspannen.

Het jongetje uit de treincoupé was ouder en bozer geworden.

Afellay kwam na het behaalde kampioenschap weer in de studio. Ik tikte de voetballer bij binnenkomst op de schouder en merkte dat er geen bot meer te vinden was, van zijn nek tot aan zijn bovenarmen liepen er zware, sterke spieren overheen. De jonge Ibrahim was een sterke vent geworden.

Hij vertelde over de zeven gele kaarten die hij in dat seizoen had gekregen: „Af en toe moet je tot tien tellen, maar iedereen heeft zijn grens. Als ze een tackle plaatsen en de scheidsrechter ziet het niet, dan reageer ik met slechte woorden.”

Gisterenmiddag keek ik naar Ajax tegen PSV. In de tweede helft liep de Eindhovense club zware averij op in de wedloop om de kampioensschaal. Ajacied Eyong Enoh zette Afellay hardhandig de voet dwars. De PSV-er reageerde furieus. Terwijl de bal niet in de buurt was, raakte hij Enoh met twee stoten.

De onschuld van vroeger had plaatsgemaakt voor volwassen woede.

Afellay heeft de afgelopen jaren vooruit gekeken. Terecht, hij is een groot talent. Via PSV kwam hij in het Nederlands elftal, buitenlandse clubs lonkten al naar zijn diensten. Na gisteren is het raadzaam thuis bij zijn familie te eten en weer eens in zijn oren te knopen hoe zijn moeder vroeger tegen hem sprak.

En een treinreisje tweede klas doet wellicht ook wonderen.