Twee dagen later

‘Mis je ’m al?” Ik vroeg het zo achteloos mogelijk, omdat ik weet dat je met deze vraag bij sommige trouwe PvdA-leden dezer dagen een uiterst gevoelige zenuw kunt raken.

„Wie bedoel je?” vroeg mijn vrouw.

„Wie denk je? We hebben jarenlang regelmatig over hem gepraat.”

Ze glimlachte. Ze had mijn vraag heus wel begrepen, maar ze wilde tijd winnen voor het antwoord. „Missen is het woord niet”, zei ze. „Ik vond het altijd een nette, sympathieke man, maar ook iemand die als leider iets te weinig ruggegraat had. In dat opzicht heb ik in Cohen meer vertrouwen.”

Het was inmiddels twee dagen na de politieke sensatie van het jaar. We hadden alle toespraken en commentaren van alle betrokkenen gehoord en gelezen, we hadden de belangrijkste tv-fragmenten 34 keer gezien – en nog steeds hadden we het gevoel dat we het niet helemaal begrepen.

Een nog betrekkelijk jonge, politieke leider, in de kracht van zijn leven, richt zich in een rechtstreekse boodschap via de televisie tot ons allen, hij vertelt ons wat er in Nederland allemaal op het spel staat en wat er moet gebeuren en vervolgens zegt hij: „Jongens, knap het verder zelf maar op, ik ben weg – toedeloe.”

„Op zichzelf is er niks mis mee dat hij op zijn kindjes wil passen”, zei ik, want ik ga graag uit van het goede in de mens, ook als het PvdA-leiders zijn.

„Natuurlijk, maar hadden hij en zijn vrouw dat niet eerder kunnen ontdekken?” zei ze, en ik hoorde de teleurstelling in haar stem. „Eurlings stopt toch ook nog vóór hij een gezin sticht? En áls je dan eenmaal in de kinderen zit, ga je toch niet drie politieke functies op je nemen? Partijleider, vicepremier, minister! Wie zou dat niet te veel worden? Hij had destijds toch veel beter alleen voor het fractieleiderschap kunnen kiezen? Dat was politiek handiger geweest en hij had een wat rustiger leven gehad. Kijk naar Pechtold, die het goed met zijn gezin kan combineren.”

„Bos is in de fuik van zijn ambities gelopen”, zei ik. „Of er is meer aan de hand.” Wij noemen dit thuis de Cisca Dresselhuys-optie, genoemd naar de altijd ietwat boosaardig grijnslachende ex-hoofdredacteur van Opzij: Bos zou bepaalde motieven verzwijgen.

„Maar welke dan?” vroeg mijn vrouw.

„Angst voor een nieuwe nederlaag, een afkeer van het moddergevecht met Wilders, straks de plicht om weer met Balkenende te moeten onderhandelen.”

Ze haalde haar schouders op. „We moeten niet te wantrouwig worden. Er zit in wezen ook een tragische kant aan zijn beslissing.”

„Bos redt zich heus wel.”

„Maar wordt hij er gelukkiger van nu hij zijn ambities opgeeft? Een veilig baantje van 9 tot 5, dat is toch niks voor zo’n begaafde man?”

„Dat moet hij maar met zijn vrouw regelen.”

Ik zei het niet, maar in gedachten zag ik de voormalige PvdA-leider over de Nieuwendammerdijk in Amsterdam-Noord lopen, bij café ’t Sluisje. Het was een onbewolkte, zonnige zomerdag, aan zijn rechterhand blikkerde het IJ. In Den Haag zat de ministerraad nu te vergaderen. Hij duwde een rode – dat nog wel – kinderwagen en floot een liedje. Of hij gelukkig was, zou hij zelf wel uitmaken, daar had hij ons niet meer bij nodig.